Een zondag in Manhattan
Like ons op Facebook

Een zondag in Manhattan

door Cees Maas

Op verkenning door de bijna achthonderd vierkante kilometer die New York City heet. Van Dylan Thomas naar de noedelsoep in 49th Street. 'Er is nergens iets dat erop lijkt. Niet Londen. Niet Parijs. Niet Moskou. Zo sterk. Zo immens. Zo opgetogen'.

In dit ziekenhuis is de injectienaald uitgevonden. En hier is Al Capone geboren. Daarboven, in dat lichtbruine penthouse, daar woont Danny DeVito. Maar pas op! Het glas in de gevels probeert je te wurgen. En wie langzaam loopt in Manhattan is een toerist. Waar de joggers met hun opgejaagde blikken staan te trappelen tot de oversteeklichten weer op 'walk' schieten. Het is nog vroeg in de avond wanneer een vrouw uit een portiek op Times Square ons toesist: 'Hard beatings?'

New York City

Maar in het heldere licht van een zondagmorgen in New York City wandelen we over een bijna verlaten Fifth Avenue naar het Empire State Building, eens het hoogste gebouw ter wereld. Dat willen we nog op. We hebben in open bussen gezeten en ons langs bezienswaardige zaken laten voeren. We hebben de stad in het oker van de avond zien zinken, het massieve silhouet van Brooklyn Bridge, de spitse transparantie van de Twin Towers. En in de poort naar de grote oceaan stond het Vrijheidsbeeld, met de toorts omhoog, een stenen wachter.

We hebben ons niet verbaasd over de hoogte van de wolkenkrabbers. Want ook wie ze nooit in werkelijkheid heeft gezien kent ze al. New York is waarschijnlijk de enige stad in de wereld waarvan het beeld opgeslagen ligt in je DNA. Wat je niet meekrijgt van huis is de merkwaardige spanning in deze stad. Een onnoembaar zinderen dat nooit ophoudt.

We zagen de brandtrappen van Little Italy en de dealers in Soho. We bekeken de wereldcollectie van The Metropolitan Museum of Art en schoten natuurlijk hopeloos in tijd tekort. We zagen het omgaasde basketballpleintje vol zwarte jongens in Harlem, en roken de vislucht bij de hallen langs East River. We hoorden het verkeer razen over de dubbele weg tussen de grote bruggen, waar rond de pilaren zoveel autoachtervolgingen voor actiefilms zijn opgenomen.

Ik schreef het met wankele woorden in mijn boekje: Na The French Connection (1971), de doorbraak van Gene Hackman als de brutale New Yorkse politieman Popeye en de film die de trend zette in achtervolgingen, zijn alle andere films slappe aftreksels geworden. Het rook er een beetje naar dieselolie en heet rubber, daar onder dat lange viaduct, maar dat kon makkelijk verbeelding zijn. We zagen al die dingen, al die plaatsen. Gidsen vertelden over de lesbische gemeenschap in Greenwich Village en de prijs van bananen in Chinatown. En we hebben vervolgens onze sportschoenen aangetrokken en gedaan wat je in Manhattan moet doen: We zijn gaan wandelen. Dagen en dagen. En zo is het zondag geworden.

Manhattan

De rust van ons wonderlijke hotel is betrekkelijk. Het dunne vensterglas lijkt het gegil van de ambulances en de brandweerwagens eerder te versterken dan te dempen. En op de gang slaan onophoudelijk deuren. Voor 99 dollar per nacht genieten we de heerlijkheden van een groen geverfde kamer op de veertiende verdieping van een sjofele wolkenkrabber in West 43th Street. Midden in Manhattan, dat wel. Vijftig meter lopen en je staat mooi op Times Square, volgens alle New Yorkers het theaterhart van de wereld. Mensen schuiven er 's avonds piekfijn gekleed in lange rijen om musicals als Ragtime te zien. Limousines op de straat. Mannen in smoking, dames met blosjes. We raken ze bijna aan.

Nee, we slapen droog en hoog in ons Hotel Carter, maar dat is het wel. De receptionist in de vuile lobby zit geld te tellen achter dikke tralies en kogelvrij glas, aan de balie hangt een dronken Oost-Europeaan. Schuin tegenover de ingang is een restaurantje waar we ontbijten met bagels en creamcheese terwijl iemand op de radio moppen over orgasmen vertelt. Op doordeweekse dagen zien we honderden pendelaars uit de metro komen. Kartonnen bekers koffie in de hand, snelwandelen naar het werk in de binnenstad. New York is een stad met een geweldige haast. Na een stuk of tien van deze mensengolven wordt de straat weer wat stiller. New York is aan het werk. Ik lees ergens dat er zeven komma drie miljoen mensen wonen en werken in New York City. De stad is qua oppervlakte niet groter dan het eiland Walcheren. Thuis is lekker ver. 'Als ze het een beetje druk beginnen te vinden, zetten de New Yorkers gewoon een straat rechtop en noemen dat een wolkenkrabber,' schreef William Archer in 1899.

Een zondags kuiertje door een wereldstad. Zo gaan we door de straten. Stoom ontsnapt uit een rooster op het trottoir en een zwerver drinkt koffie uit een bekertje met de tekst 'I en-dan-zo'n-rood-hartje New York'. Het is al heet. Mijn ruggengraat gaat kriebelen bij 231 East 47th Street, de eerste Factory van Andy Warhol, de kunstenaar en producer. Waar artiesten kwamen als Lou Reed, Nico, Sterling Morrison en John Cale. Dit is heilige grond. Hier werd in 1965 de popgroep The Velvet Underground opgericht.

De tweede gebeurtenis van echt wereldbelang sinds de Titanic op een ijsberg voer, schreef de Los Angeles Times destijds. Dat heb ik onthouden. Nu zie je er niets meer van. De Factory is een pleintje met wat groen. Een zwart jongetje probeert er zijn nieuwe driewieler en in een hoek ligt een natte krant. Het is een ontzielde plek, de geesten zijn gesmolten in een mist van coke en een meer van drank. Maar de muziek is gebleven. Thuis zal ik mijn oude bananen-elpee eens opzetten en The Black Angel's Death Song van Lou Reed en John Cale op gepaste wijze keihard afdraaien.

De eerste Factory werd in 1968 verlaten en afgebroken. Warhol ging verder in zijn tweede Factory op de zesde etage van het Decker Building op 33 Union Square West. Daar begon zijn grote film- en schilderperiode. We komen er straks nog langs.

Wall street

Sushi eten in de straat achter Wall Street, de blauwvintonijn is zo vers dat je niets van vis ruikt. Het voordeel van een wereldstad. Je kunt de beste dingen kopen die de wereld kan bieden, alles is er. Ook kleine dingen die zeer de moeite waard zijn. Zoals het kamerrestaurantje Sapporo op 152 West 49th Street.

Voor minder dan zeven dollar eet je in dit Japanse restaurantje een goddelijke kanton-men uit een soepbak met het formaat van een kleine waskom, in een entourage van slurpende en lachende Japanners. We eten met stokjes en al na enkele tellen vinden onze vingers het oude ritme. Maar de sushi downtown is zeker niet minder. Het meisje naast ons aan de eetbar staat te swingen op de achtergrondmuziek van de Backstreet Boys. De Japanse mosterd prikt op mijn tong. Buiten lopen mannen in pakken druk te doen met mobiele telefoons. We tellen dertig gele taxi's in dit stukje straat. De beat van deze stad, de aardse grom van de city, achtervolgt je overal. Daarnet op het golvenloze water, op de veerboot naar het Vrijheidsbeeld en Ellis Island, voelde je nog de vibraties van deze metropool. Alsof je levend opgevreten wordt, maar dan, het is een zeer aangename gewaarwording, opgevreten worden door New York City.

Ik zit op een bankje op Ellis Island in Upper New York Bay. Een stukje te lezen van de schrijver Theodor Dreiser. Hij schreef in 1929: 'Er is nergens iets dat erop lijkt. Mijn stad. Niet Londen. Niet Parijs. Niet Moskou. Geen enkele stad die ik ooit heb gezien. Zo sterk. Zo immens. Zo opgetogen.'

Je moet snel dingen leren in deze stad. Bijvoorbeeld dat je geen mensen direct in de ogen kunt kijken, of althans niet te veel. Doe je dat wel, dan ontdek je harde blikken die aan je zuigen. Je kunt beter gaan zitten op een bankje, op een muurtje, en kijken naar het gekrioel op straat. Er een individu uitpikken en van een afstandje rustig beschouwen. Dat is leuk, en interessant. Daar word je niet moe van, dat maakt zelfs tamelijk vrolijk.

Je kunt je dan verbazen over de vetzak die zich geen seconde schaamt over zijn uiterlijk en zijn reusachtige vetbobbels bij voorkeur hult in strakke glimmende kleding. Of de langbenige miljonairsvrouw met haar middeltje als een mannendij, haar spierwitte poedeltje, haar khaki-Channel en haar Gucci-zonnebril boven een chirurgisch opgetrokken gezicht en een rimpelnek. Of de urban hero, de duidelijke provinciaal die het even komt maken in The Big Apple en zich zelfverzekerd snuivend en veel te cool een weg door de menigte zoekt. Dat en nog veel meer kun je gratis en zonder verveling bekijken in deze enorme mensentuin.

Waar je ook komt op de wereld, je voelt jezelf ergens op je gemak of niet. Dat instinct werkt onmiddellijk en je kunt het niet dwingen. Wij voelen ons veilig, overal in Manhattan. De receptionist van Hotel Carter vertelt vergenoegd hoe dat komt. "Sinds we een nieuwe burgemeester hebben kan iedereen hier over de straat lopen zonder beroofd te worden. Op elke straathoek staat politie, het schorem houdt zich al vijf jaar heel rustig. De daklozen is verteld geen mensen meer lastig te vallen, anders worden ze gewoon ergens op Long Island gedropt. En het werkt. New York is allang niet meer de meest criminele stad van Amerika, oh god nee. Het is veilig hier en dat is buitengewoon goed voor het toerisme. " En hij maakt het internationale gebaar van geld tellen.

Maar alles is betrekkelijk. In The New York Times staat een leuke. Wie de pech heeft na zonsondergang in Central Park te belanden, dient alle zijwegen links te laten liggen en zich te spoeden naar de tijgerkooi in de dierentuin in het park. Als je dat haalt, kruip dan onverdroten bij de tijgers in de kooi, want dat is dan de veiligste plaats in het hele park.

Hotel Chelsea

We lopen los van directe bedoelingen langs het Hotel Chelsea in 222 West 23rd Street. Het ziet er vervallen uit, een beetje als ons eigen Hotel Carter, een tempel van mufruikende vloerbedekking en vergane glorie, alleen betaal je hier nog vijftig dollar meer per nacht. Maar dan slaap je ook in gezelschap van waarlijk grote geesten.

De lobby hangt vol met schilderijen, plaquettes en kroonluchters. Ze verbleven hier allemaal. Ze kwamen er werken, neuken, drinken, spuiten of zomaar rondhangen. De lijst is indrukwekkend: Mark Twain, Tennessee Williams, Vladimir Nabokov, Thomas Wolfe, Janis Joplin, Leonard Cohen, Bob Dylan, Arthur Miller, Andy Warhol, Jane Fonda, Woody Allen, William Burroughs, Karel Appel, Sarah Bernhardt, Jan Cremer, Dylan Marlais Thomas en Sid Vicious, de aan heroïne verslaafde bassist van de Sex Pistols die in kamer 100 in 1978 zijn vriendin vermoordde.

Naast de ingang hangt een plaquette, een eerbetoon aan de schrijver Arthur Miller. De simpele tekst luidt: 'Schrijver van Death of a Salesman. Woonde hier van 1962 tot 1968 en schreef toen After the Fall, Incident at Vichy, The Price.' Arthur Miller schreef zelf over het hotel: 'Het Chelsea was geen deel van Amerika, had geen stofzuigers, geen regels, smaak of schaamte. Het was een nooit ophoudend feest'.

Een andere plaquette, aan de buitengevel, eert een held en een groot drinker: De beroemde dichter Dylan Marlais Thomas. Hij stierf op 9 november 1953, pas 39 jaar oud, gesloopt door een te zwaar leven. Dylan Thomas had een kort, maar een vol en vruchtbaar bestaan. Hij debuteerde al voor zijn twintigste met zijn surrealistische verzen en eindigde in het jaar van zijn dood met het beroemde hoorspel Under Milk Wood. Hij zelf karakteriseerde zijn gedichten als 'statements on the way to the grave'. Ze hebben het volgende op zijn plaquette aan de muur van het Chelsea Hotel geschreven: 'Dedicated to the memory of Dylan Thomas. Who lived and labored here at the Chelsea Hotel and from here he sailed out to die.'

En het verhaal van het Chelsea gaat verder. Muziek maakte het oude hotel nog beroemder. Bob Dylan bijvoorbeeld, zong in het nummer Sara: 'Stayin' up for days in the Chelsea Hotel, writing Sad-Eyed Lady of the Lowlands for you'. En de zanger Leonard Cohen over zijn verhouding met de popster Janis Joplin: 'I remember you well in the Chelsea Hotel you were talking so brave and so sweet giving me head on the unmade bed while the limousines wait in the street'.

Wat biedt Hotel Chelsea de geïnteresseerde voorbijganger vandaag? Je moet het ongrijpbare niet begeren. Achter deze harde bakstenen hebben golven creativiteit gespoeld. Meer misschien, dan op welke plaats ook ter wereld. Het heeft gezinderd, hier zijn meesterwerken gemaakt. Dat kun je signaleren, dat kun je benoemen, maar meer niet. 'Het was een nooit ophoudend feest,' schreef Arthur Miller. En dat was dat. Je kunt er op een mooie zondag gewoon voorbijlopen. Maar kijk dan even naar die kleine plaquette van Dylan Thomas. Hij zeilde van hier zijn dood tegemoet. Zo mooi.

Central Park

We kopen burgers bij het Leaping Frog Café in Central Park en eten ze op in een prieeltje. Op deze doorschijnende dag zit iedereen in het park, lijkt het. De saxofonist bij het hek speelt 'Yersterday' en stopt een kwart noot lang, elke keer wanneer iemand een muntje in zijn kist gooit. Sommige mensen dragen een klein parapluutje als een hoed op het hoofd, het is warm en mensen likken ijsjes. Het is druk met rolschaatsers.

Het park is een goede plaats om te zijn. De drukke stad lijkt heel ver weg, maar we zitten er middenin natuurlijk. De groene bankjes. De stoere jongen met de sticker op zijn hemd: Play rugby, play blood. Veel zwartgeklede mensen die pretzels eten.

Het park is de nachtmerrie van alle projectontwikkelaars. Ze dromen van de prijzen die ze kunnen maken door het te bebouwen en het per vierkante meter te verhuren. Maar dat gebeurt niet. In 1860 begonnen de landschapsarchitecten Olmsted en Vaux met de aanleg van hun wensdroom, een plek van rust voor de snelgroeiende stad. Het kostte vervolgens 15 jaar om een landelijk walhalla te scheppen in een van 's werelds grootste steden. Er moest 3,8 miljoen kubieke meter aarde en steen voor worden verplaatst. Nu is het op mooie dagen van de gezinnen in New York, ze picknicken op de grasvelden. Vliegers staan aan de hemel en frisbees zeilen door de lucht. Wat kunnen zondags toch waarschijnlijk zijn.

En wandelaars in clubverband. Het was al weken geleden aangekondigd: Deze zondag is er een loop tegen aids. Rond het Central Park, een hele afstand nog want het park is verrassend groot met zijn 340 hectare, hebben we vandaag de 'New York Aids Walk'. Dat is een ontroerend spektakel. Duizenden mensen uit heel het land wandelen in bedrukte shirts of in gekke pakken, om de zoveel meter aangemoedigd door mensen met van die luidsprekertoeters. "Jullie zijn geweldig, jullie zijn fantaaastisch. Heel de wereld kijkt naar jullie vandaag, ga door, ga door!"

En ze gaan door. Huilend en juichend. Mensen in rolstoelen, een man die zich in een karretje laat voortrekken door een grote hond. Homo's maken lol en dragen gouden kroontjes, politieagenten regelen het vastgelopen verkeer. De hotdogverkoper bij Columbus Circle is in een half uur door zijn waar heen. Wij ontmoeten een ouder echtpaar uit Brooklyn. Zij draagt een petje met daarop de tekst: Moeders marcheren tegen aids. Ze vertellen. Over hun enige zoon van 39 die gestorven is aan aids. "We marcheren al sinds zesentachtig," zegt de man. "We lopen overal in de States," zegt de vrouw. En ze tonen een fotootje van hun zoon. Het was een knappe jongen.

Dan staan we voor het Dakota Building, aan de westrand van Central Park. Ik neem een fotootje van de stoep, de voordeur met de geüniformeerde portier. Die staat er sinds op deze zelfde plek in 1980 John Lennon werd doodgeschoten door de geestelijk gestoorde Mark Chapman. Joko Ono, de vrouw van Lennon, woont nog in het huis, ze heeft de bovenste verdieping. Ik staar naar de ramen daar en zie wel iets bewegen, maar wat, is niet duidelijk. In het park dichtbij begint het concert voor de aids-manifestatie en 'Eight days a week' van The Beatles klinkt luid over de bomen. Gek. Als ze haar raam opent hoort ze haar dode man.

Gisteren stond Yoko Ono in The New York Times met een foto. Een zuster van Lennon was overgekomen en samen legden ze bloemen bij het Lennon Memorial, hier om de hoek in het park. We gaan kijken, maar de bloemen zijn natuurlijk al weg. Op de ronde gedenkplaat staat in sierlijke letters 'Imagine', naar een bekende hit van de popster. De plaat ligt in een mooi begroeid hoekje van het park dat 'Strawberry Fields' is genoemd, naar een andere hit van de muzikant. Ik neem een foto van het bordje. We zeggen een vaarwel aan alle helden.

Stad van contrasten

New York is een stad van contrasten. Tegenover ons sjofele hotel bevindt zich het imposante gebouw van The New York Times, een van de meest gedegen kranten ter wereld. We kijken uit op een robuuste gevel met zuilen van natuursteen en beneden een chagrijnige bewaker van het Archie-Bunkertype, die de pasjes controleert van iedereen die binnen wil. Het is ook alweer zo'n wereldberoemd instituut dat tot de verbeelding spreekt. De krant is opgericht in 1851 en kende zware tijden door concurrentie van de 'yellow press'. De oplage liep terug tot 9000 even voor de eeuwwisseling.

In de strijd tegen de sensatiepers ontstond de leuze 'All the News That's Fit to Print', die kenmerkend is voor de uitvoerige berichtgeving van de Times. In 1901 overschreed de oplage reeds de 100.000 exemplaren. De zondagseditie is legendarisch dik, en kan tientallen bijlagen bevatten. Het heeft de krant de reputatie gegeven ook de zwaarste van de wereld te zijn. En hoe gruwelijk of vreemd een gebeurtenis ook mag zijn, je vindt het terug in de Times. Alles is gecontroleerd van a tot z, dat wel.

Ik las vanochtend in de metropolitan section van die krant over een ongelooflijk dikke New Yorkse moordenaar die in Texas was gearresteerd en daar de elektrische stoel wachtte. Hij maakte zich echter geen minuut zorgen want, zo stond in kapitalen afgedrukt: "Ik ben te vet om gebraden te worden". Kompleet met foto van een vrolijk lachende moordenaar.

Sinds 1949 verscheen in Europa een dagelijkse internationale editie, die in 1966 opging in de New York Herald Tribune - Washington Post-combinatie en de naam International Herald Tribune kreeg. Volgens veel journalisten is dat op dit moment de beste krant ter wereld. En als je goed kijkt naar deze bombasten gevel, naar de starre zuilen, dan proef je het ook. De degelijkheid. Truman Capote lezen op je New Yorkse bed terwijl de show van David Letterman op de tv draait.

De studio waar dat wordt opgenomen is slechts drie straten verder. We raakten hier om de hoek verstrikt in een oploopje van heel jonge meiden die krijsend en huilend spandoekjes en bordjes hieven. We vernamen al snel dat hun idolen, de Backstreet Boys, op dat moment boven in de studio van MTV op Times Square opnamen maakten voor een clip. Op de eerste verdieping zagen we een glazen gevel met tv-camera's erachter en hip gekleed volk. Elke keer dat er iemand naar voren kwam die een bandlid kon wezen, rees er een hoog gegil uit de kelen van de meisjes van een hysterisch gehalte dat ik enkel kende uit het Polygoonfilmpje waarin The Beatles landden op Schiphol.

Zo is het zondag geworden. Over schone straten liepen tienduizenden mensen. We keken zevenenzeventig verdiepingen omhoog naar de roestvrijstalen spits van het Chrysler Building, het leek een sprookje. Dat, en de blinde stegen, de zwarte ramen van limousines, de gangsterlokaties. We vroegen ons af of we niet door een stripverhaal liepen.

Misschien hebben we Willem-Alexander met zijn nieuwe meisje wel zien rolschaatsen langs de oevers van de Hudson op die dag dat de helikopters als vlinders tussen de wolkenkrabbers kropen. Ja, waarschijnlijk was hij het wel. Maar we dronken cappuccino en New York was groot. Het waren roerloze momenten, de stad vroeg om zoveel tijd. Nooit was een week zo vol van dingen.

Like deze pagina

Specialisten Amerika

Stay tuned

Wil jij elke maand naar Amerika?

  • Schrijf je in voor de maandelijkse nieuwsbrief boordevol foto's, prijsvragen en insider tips.
  • Ook ontvang je speciale deals van onze partners!

Aanmelden nieuwsbrief

Amerika kenner
Sponsors