Zeven dagen in Zuid Arizona
Like ons op Facebook

Zeven dagen in Zuid Arizona

door Frans Verhagen

Arizona hangt uit het lood: het noorden veel hoger dan het zuiden. Het hoogste punt, Humphrey's Peak, ligt in de San Francisco Peaks bij Flagstaff. Het laagste punt ligt op maar twintig meter hoogte.

In het zuidwesten waar de Colorado River in Mexico aankomt. Alles roetsjt naar beneden. We go with the flow, zou je voor onze trip kunnen zeggen, en na een week in Noord-Arizona verkassen we voor de tweede helft van onze voorjaarsvakantie naar het zuiden van de staat.

Zuid-Arizona

De overgang is indrukwekkend genoeg. Van een relatief hoog plateau met veel bossen, canyons - dé canyon -, mesa's en hooggelegen woestijngebied, komen we in een vlakker, in eerste instantie niet eens zo woestijnachtig gebied. Zeshonderd meter lager zijn we in de Sonoran Desert, de enorme woestijn die in verscheidene vormen van extreme droogte het noorden van Mexico en het zuidwesten van de Verenigde Staten in zijn greep houdt. Hier in Arizona ligt het meest gematigde deel. De Lower Sonoran Zone, om precies te zijn.

We blijven in het oosten van de staat, dicht tegen New Mexico aan. Nadat we uit de White Mountains rondom Greer zijn afgedaald volgen we Route 191. Aan onze linkerhand, op de grens met New Mexico, ligt een noord-zuid lopende bergrug, alweer een San Francisco Mountains - de heilige is hier bepaald populair. Het is een lange dag in de auto: van Greer (2800 meter hoog op het Mogollon Plateau) naar Bisbee, vrijwel op de grens met Mexico.

We zitten voor deze ene keer bijna de hele dag in de auto. Niet misselijk. De kinderen vinden er in elk geval weinig aan. We weten dat lange tochten, ook door mooi terrein, niet aan hen zijn besteed. Ik vertel wat over de Apache en Cochise en Geronimo (we rijden door Apache National Forest) maar dat kan hun enthousiasme niet merkbaar verhogen.

We volgen de 191, met een klein stukje I-10 in de bodem van de staat, en dan verder tot aan de grens met Mexico, naar Douglas, het grensplaatsje. Ik herinner me een expeditie, jaren geleden, toen ik bij Laredo/Nuevo Laredo in Texas de grens overstak. Het was een haast surrealistische ervaring, van de ene wereld in de andere, verbonden door een loopbrug. De vervreemding werd nog vergroot door een reportage over illegale immigranten die we er toen maakten. Ik neem me voor om de komende dagen nog een keer op de grens af te gaan. Maar onze eerste bestemming is Bisbee, een zilvermijnstadje dat ooit de reputatie had aardig wild te zijn, zelfs voor het wilde westen.

Sluip door, kruip door

Bisbee groeide van een kamp van mijnwerkers, opgezet in 1877, uit tot een rijke stad met imposante Victoriaanse huizen rond de eeuwwisseling - toen het een van de belangrijkste steden in het westen was. Brewery Gulch, een zijcanyon in het stadje, had in die tijd zo'n vijftig saloons en Bisbee stond bekend als hét uitgaanscentrum voor de wijde omstreken. De rijkdom van de stad lag opgesloten in de kopermijnen, waar deels onder de grond deels in gigantische open mijnen het erts werd gedolven. In 1880 kocht Judge DeWitt Bisbee de Copper Queen Mine, samen met een groep Californische zakenlui. Het stadje werd naar de rechter vernoemd, maar zelf kwam hij er nooit. Een concurrende mijn, Phelps Dodge Company, opereerde in het zelfde gebied. Ze kwamen er achter dat de rijkste lagen erts op de grens van beide terreinen waren te vinden maar in plaats van wat je zou verwachten - gevechten, toch minstens in de rechtszaal - besloten beide hun krachten te verenigen. Het was koper dat Arizona rijk maakte, zo rijk dat als herinnering daaraan de State Capitol in Phoenix nog steeds een koperen dak heeft.

Bisbee is een plezierig stadje waarvan huizen rondgestrooid lijken op de omliggende heuvels of dicht bijeen gepakt in de canyons. Het is een stadje met een buitengewoon aantal trappen, sluip door, kruip door. Ik laat me vertellen dat dit ook de reden is dat er geen postbezorging is in Bisbee. Inwoners moeten zelf hun post ophalen, naar voorkeur een bron van sociaal contact of van dagelijkse ergernis.

De stad ligt hoog genoeg om een relatief koel, aangenaam klimaat te hebben. Er schijnen nogal wat gepensioneerde mensen te wonen - inclusief vroegoude hippies. We hebben gekozen voor verblijf in het Copper Queen Hotel, aangelegd, natuurlijk, door de mijnonderneming, en ik moet zeggen dat dat aanmerkelijk bijdraagt aan de charme ons bezoek. Het in 1902 geopende hotel heeft een aantal kamers en gemeenschappelijke ruimtes in stijl hersteld en ligt zowat naast het museum van Bisbee en tegenover de ingang van de mijn. Ook nog naast Brewery Gulch, maar hoe wild dat ook ooit geweest mag zijn, tegenwoordig is het een wat tamme bedoening. In de Copper Queen Hotel Saloon schijnt in het weekend live muziek te zijn, maar daar blijven we toch echt niet voor. In de paar koffiehuizen en galerietjes van het stadje blijkt ook iets van een ouderwetse jaren zestig sfeer: blijkbaar hebben ook wat op leeftijd zijnde hippies hier hun toevlucht gezocht.

Helm, lampen gele jassen

De volgende dag in het museum lees ik over de opbloeiende vakbondsactiviteiten aan het begin van de twintigste eeuw, de gevechten met de bazen, culminerend in de Bisbee Deportation. Ik had daar nog nooit van gehoord, maar in vakbondskringen was het een berucht werkgeversexces: in juli 1917 werden meer dan duizend stakende mijnwerkers zonder pardon gewapenderwijze in veewagons gejaagd en de staat uitgezet. Het welzijn van Bisbee zelf ging op en neer met de koperprijzen. De mijnwerkers hadden gestaakt, wat ze, zo midden in de Eerste Wereldoorlog kwam te staan op beschuldigingen van landverraad en communisme, en hoewel de regering in Washington de deportatie onderzocht, besloot ze dat er geen wetten waren overtreden.

In 1951 opende Phelps Dodge de Lavender Pit, om een nieuwe, open pit-techniek te gebruiken waarbij gewoon een groot gat wordt gegraven en uit het afval de kopererts wordt gezeefd. Mooier wordt het landschap er niet van, maar het leverde banen op en Bisbee klaagde niet. De pit besloeg 300 acres (120 hectare) en toen hij gesloten werd in 1974 was het gat ongeveer anderhalve kilometer lang, 800 meter breed en 300 meter diep. De als een trechter toelopende pit heeft vijftig terrassen.

Dit lelijke gat in de grond - geen methode van mijnbouw is zo milieuonvriendelijk als deze - bekijken we vanaf de parkeerplaats langs Route 80. Met de teruglopende vraag naar koper ging ook de ondergrondse mijn dicht. Bisbee had een ghost town kunnen worden maar veel mijnwerkers bleven (trouwens ook veel mensen in het naastgelegen troosteloze stofdorp Warren, een soort fabrieksstad). Hoewel de komst van uitgeraasde hippies in de jaren zeventig, tot de nodige conflicten leidde, zorgden zij er uiteindelijk voor dat de geschiedenis van het mijnstadje in toerisme werd omgezet.

We hebben ons opgegeven voor een bezoek aan de ondergrondse mijn. Het wordt een mooie onderneming, inclusief helm, lamp en gele jassen, en geleid door een ex-mijnwerker die alles weet van hoe het indertijd aan toeging. We gaan diep genoeg om te voelen hoeveel kouder het daarbinnen is, maar van het gangenstelsel van 250 kilometer, op vier verschillende niveaus, doen we maar een miniem deeltje.

Woud van pilaren

Vlakbij Bisbee vinden we Stadie Dell Trailer Park, niet zomaar een RV-camp zoals je ze overal hebt, maar een terreintje aan de rand van de stad waar een stuk of acht ouderwetse caravans staan, house trailers: van die mooie aluminium gevallen, sigarenkokers op wielen. Eens was Shady Dell gewoon een RV-terrein, nu is het een motel: je kunt een nachtje doorbrengen in een Airstream, een Mano of een Royal Mansion, met interieurs die nog geheel in stijl zijn, dat wil zeggen, een nostalgische trip naar de jaren vijftig. Bij de ingang staat Dot's Diner, een ouderwetse eethoek die helaas niet open is als wij er een nostalgische hamburger willen consumeren.

Vanuit Bisbee maak ik een dagtrip naar Chiricahua National Monument. Ik had daar tevoren, eerlijk gezegd, nog nooit van gehoord, maar mijn onvolprezen Moon Travel Handbook zorgde ervoor dat ik geïntrigeerd raakte. Dit was een van de plekken waar Geronimo, de laatste Apache Chief die de blanke binnendringers het leven zuur maakte, zich verborg als hij niet gevonden wilde worden. En reken maar dat ze hem in Chiricahua niet konden vinden. Want dit park, een waar natuurwonder van opstaande rotsen, is een doolhof waar geen verstandig soldaat zich zou wagen.

Door de specifieke gelaagdheid van de bodem, de erosie door lucht en water, is hier een soort woud ontstaan van pilaren - 'het land van de rechtopstaande rotsen', zoals de Indianen zeiden. Fantasieloos als altijd noemden de blanken het 'wonderland of rocks'. Ook toepasselijk maar toch wat bleek.

Chiricahua is een prachtig park. Vanuit de vlakte waardoor ik van Bisbee naar het park rijdt - en vlak is het enige juiste woord voor dit desolate stuk dor woestijngras - met aan mijn rechterhand, zwart en dreigend, de Chiricahua Mountains. Vanuit die hete vlakte is Geronimo's schuilplaats niet onmiddellijk evident - allicht niet, zou je zeggen. Rijd je eenmaal die onherbergzame - en veel koelere - heuvels binnen dan ben je ineens in een andere wereld. Niet direct de wereld van Geronimo, dat zou teveel gevraagd zijn, maar een wereld van bizarre steenvormen, van mooie wandelingen, veel dieren die de verschillende sky islands (hoog op rotspilaren gelegen stukjes met een andere klimaat) bevolken. Een Grand Canyon is het niet, laten we het houden op Small Canyon - wel degelijk een natuurfenomeen.

Stom dat ik niet de gelegenheid heb te kamperen en zo wat meer dagen er rond te wandelen, maar ja, een campingtrip zat er dit jaar nu eenmaal niet in . Ik gebruik de dag zo goed mogelijk en het is al donker - de avond valt vroeg hier - als ik terugkeer in Bisbee.

Het thuisfront heeft zich die dag vermaakt met het zwembad, het lokale museum en andere minder inspannende activiteiten. Fair enough. Ik vertel de kinderen over Geronimo maar het is uiteindelijk een triest verhaal, een verhaal over hoe dit land werd ingepikt door botte blanken die het leger gebruikten om hun gestolen goed te beschermen. En dat ze het wandelen hebben gemist, daar zijn ze niet echt rouwig om.

De volgende dag ga ik nog eens naar de grens tussen Mexico en de VS. Op de grensovergang bij Naco is het akelig stil. Er gebeurt hier niet veel, bevestigt een grenswacht. Veel dagelijks verkeer, mensen die gewoon aan deze kant werken. De grens zelf is een fors hek, een meter of drie hoog, met af en toe een gat erin waardoor je kunt zien wat er aan de andere kant gebeurt. Dat is evenveel als aan deze kant: helemaal niets. Het ziet eruit als wat het is: een stoffig Mexicaans dorp. Een haan kraait, maar dat is zowat het enige teken van leven aan de andere kant. Aan deze kant is dat een truck van de Border Patrol die door het stukje niemandsland voor het hek patrouilleert. Ondanks het hek oogt het allemaal minder dreigend en onvriendelijk dan ik me herinner van Laredo of Tijuana, in Californië.

Natuur op de stoep

We nemen afscheid van Bisbee, richting Tucson. Onderweg leggen we aan in Tombstone, een van de bekendste plaatsen in het Wilde Westen, voornamelijk vanwege de befaamde OK Corral Shoot Out. Dat zullen we dan ook weten ook. Tombstone blijkt een gigantisch toeristenparadijs (een tourist trap op zijn Amerikaans). Ieder half uur voeren een stel malloten een shoot out uit in Main Street, als een soort opwarmertje voor de re-enactment van de OK Corral, waarvoor je dan wel een flink aantal dollars moet neerleggen. We laten het toch maar aan ons voorbijgaan, net als de eindeloze collectie winkels met T-shirts en andere rommel die de enige echte straat van Tombstone uitmaken. Ik moet zeggen dat het museum in het oude Courthouse nog wel aardig uitstraalt hoe het hier ooit geweest moet zijn - toen zilvervondsten heel wat gelukszoekers aantrokken. De geschiedenis van het stadje is een stuk interessanter dan zijn heden.

In Tucson hadden we een Bed & Breakfast geregeld, opnieuw via het internet. Dit keer een Guest House dat vrijstond van de Bed & Breakfast, maar er wel het ontbijt en het zwembad ermee deelde. Als het ware een eigen huisje, met ook een eigen keuken en terrasje voor het huis. Kleiner en minder goed verzorgd dan ons huis in Flagstaff, maar precies wat we nodig hebben - vooral het zwembad valt in de smaak. Ook geheel in stijl met een uitgespreide stad als Tucson, ligt het huisje aan de rand van de stad, in een uitgestrekte wijk, met de woestijn in de achtertuin en uitzicht op de omringende bergketens. We hebben het voor vier nachten gehuurd, om vanuit Tucson tochtjes te maken. We zitten vlak bij het Sonoran Desert Museum en, verderop aan dezelfde weg, de westkant van Saguaro National Park.

Tucson zelf blijkt een plezierige versie van Phoenix. Ook uitgestrekt, ook warm en nieuw, maar toch net allemaal van een wat menselijker maat. Omdat Tucson toch nog aardig hoog ligt, op 760 meter, en omringd wordt door een paar bergketens, heeft het een koelere uitstraling dan Phoenix - alles relatief: het is hier overdag zelden minder warm dan twintig graden en in juni is het zowat iedere dag meer dan dertig graden, onder een strakblauwe hemel. Heel anders ook dan Phoenix, ligt de natuur in Tucson overal op de stoep, is altijd dichtbij. Een trotse stad, armer dan Phoenix, maar ecologisch beter geïntegreerd.

Marcherende groen legers

Om een idee te krijgen van de geschiedenis van Tucson kun je het best Saguaro National Park inrijden, naar Signal Hill. Op een steengroep in de Sonoran Desert staan de boodschappen, petrogliefen, die de Hohokam Indianen hebben achtergelaten toen ze hier woonden tussen 300 voor Christus en 1450 na Christus. Meer dan duizend jaar slaagden deze Indianen erin om te overleven in een woestijn waar in een goed jaar minder dan vijftien centimeter regen valt.

Een stukje modernere geschiedenis is in het gemakkelijk te belopen downtown te vinden. Met het Tucson Museum of Art als beginpunt volgen we de wandeltour langs huizen die dateren uit de tweede helft van de negentiende eeuw. Het Pima County Courthouse maakt nog de meeste indruk. We lopen rond met gemengde gevoelens. Aardig maar niet spectaculair, dat zou je van Tucson kunnen zeggen. Van bekenden die er wonen horen we dat het een heerlijke woonstad is. Dat wil ik wel geloven, maar verwacht geen sprankelende wereldstad. Ik moet daar onmiddellijk bij zeggen dat Tucson een interessant kunstleven heeft, met veel galeries. Misschien dat daar een goede restaurant scene bij hoort, wat wij probeerden - op advies van locals - was in elk geval uitstekend.

Na de lunch in Old Town gaan we naar het Arizona-Sonora Desert Museum. Nou ja, museum. Het is een kruising tussen een park, een dierentuin, een botanische tuin en dat allemaal samengebald tot een fantastisch opgezet museum. Het is zeker een halve dag waard en een prima introductie tot de omgeving. Als we Saguaro Park inrijden, althans dit westelijk deel (het park bestaat uit twee gedeelten), blijkt het museum eigenlijk spannender dan het park zelf. Uiteindelijk nemen we voor het park niet zo vreselijk veel tijd. Het probleem is dat de cactussen, indrukwekkend als ze zijn, toch tamelijk eentonig worden met hun de heuvels op en af marcherende groene legers. Mooi is wel dat veel van de cactussen in bloei staan, met de roomwitte bloemen - de staatsbloem van Arizona. Cactusmoe, besluiten we om het oostelijk deel van het park te laten voor wat het is.

Fresco's in originele staat

Vandaag gaan we zuidwaarts - niet dat je erg ver kunt, je staat al snel in Mexico, bij Nogales. We volgen de vallei van de Santa Cruz River, een van de eerste gebieden van Arizona die door de Spanjaarden werd gekoloniseerd. De eerste missie in Tumacacori werd in 1691 opgezet en later verplaatst naar het noordelijker gelegen San Xavier.

We gaan in de omgekeerde richting, zodat onze eerste stop Xavier del Bac Mission is. Ik heb al heel wat missieposten gezien, maar ik moet zeggen dat deze behoorlijk wat indruk maakt. Dat komt vooral door de ligging. Je volgt een smalle weg parallel aan de I-19 en dan ineens, in the middle of nowhere, staat daar een forse witte kerk. De bijnaam 'Witte Duif van de Woestijn' vertelt het wel zo'n beetje.

De missiepost dateert uit het begin van de achttiende eeuw en is gebouwd in Spaanse barokstijl (of een Mexicaanse variant daarop), heel anders dan de missies die ik ken in Californië en Texas. De rechtertoren is nooit afgebouwd. Niemand weet waarom maar men heeft er wel een mooie mythe voor bedacht: het symboliseert dat het preken van het evangelie nooit af is. Ik vind dat prachtig: misschien was het geld op, of de bouwer te lui of Joost mag weten wat voor reden om de zaak half af te laten. De truc is dan om wat toeval was, doordacht te laten lijken. Mooi hoor.

Het interieur is heel wat rijker dan dat van de meeste missies in het zuidwesten. Aan de binnenkant van de koepel zijn fresco's geschilderd, en achter het altijd staat een kunstig gebeeldhouwd retablo. In de jaren negentig zijn de fresco's in een enorme restauratie weer helemaal teruggebracht in hun originele staat.

Jezuïeten

We rijden verder naar het zuiden, over de I-19 want dat is de enige weg hier - nogal saai. Gelukkig is Tumacacori National Historic Parc niet erg ver meer, maar dan zijn dan ook bijna op de grens. Die was er nog niet toen in 1794 hier een Franciscaanse pater aankwam die, nadat hij de omgeving had verkend, in goed Amerikaanse stijl zijn buurman concurrentie wilde aandoen en bezwoer dat hij een mooiere kerk zou bouwen. Dat deed hij niet, want al is de San José mooi genoeg, hij is wel wat minder elegant dan de San Xavier. Zo rond 1820 stond er een behoorlijke kerk die al flink gebruikt werd, al was hij nog niet klaar. Niet lang daarna kapte de nieuwe Mexicaanse regering, nadat ze de Spanjaarden eruit had gegooid, alle fondsen voor kerken af, en zo bleef het altijd een half geval. Veel meer dan een ruïne was er niet van over toen Tumacacori in 1908 een National Monument werd, ter bescherming tegen verder verval. In 1990 werd het een National Historic Park en werden twee stukken park toegevoegd, de ruïnes bij Guevavi en Calabazas, respectievelijk twintig en 25 kilometer verder naar het zuiden. Mooi gedaan van de Park Service, maar die twee blijken niet open te zijn.

We missen die twee andere buitenposten niet, want wat Tumacacori aantrekkelijk maakt, is zijn beperkte omvang. Het vertelt mooi gecondenseerd het verhaal van de eerste Europeanen die hier opdoken. Deze missie werd eind zeventiende eeuw gesticht door de Jezuïeten. De Pimatumacaco.jpg (26401 bytes) Indianen gingen rondom de post wonen, op zoek naar een beter en veiliger bestaan, maar ze werden niet met rust gelaten door de vijandige Apache Indianen (die op hun beurt weer onder druk stonden van de nog vijandiger Comache). Ze werden sowieso niet erg gelukkig, want de blanken brachten ook allerlei ziekten mee, die hen bij bosjes uitroeiden. Een video geeft een goed idee van de manier van leven rond 1800. Maar het leukste is toch om gewoon hier rond te wandelen, de kleuren en de werking van het licht in je door te laten dringen. De Santa Cruz River ligt een paar honderd meter verderop en de rust is balsem na drukke parken als de Grand Canyon, Montezuma en Sunset Vulcano.

Titanen in de grond

Op de terugweg stoppen we in Tubac, onder meer voor een late lunch. De Tubac Presidio werd opgezet om de missies te beschermen, zo rond 1750. Niet direct een aantrekkelijke plek, want Tubac werd het doelwit van de Apache die de burgers van het stadje acht keer op de vlucht joegen. Na twee eeuwen verval - en één korte oprisping als boomtown in de tijd van de mijnwerkers, rond 1850 - ontwikkelde Tubac zich sinds 1948 als een kunstenaarsstadje, het directe gevolg van de opening van een kunstacademie dat jaar. Het motto van Tubac is: Where Art and History Meet. De ontmoeting levert, vinden we, vooral middelmatige kunst op, met een paar uitschieters. Eén galerie had werk van een kunstenaar waarvan we later in Tucson een stuk gekocht hebben, dus laat ik het niet te veel neerhalen. Het Tubac Presidio State Historic Park is een aardig museum. Voor de liefhebbers is er een historisch pad tussen Tubac en Tumacacori, zo'n acht kilometer lang.

Verderop, dichter bij Tucson, stoppen we bij het Titan Missile Museum. Toen het SALT verdrag in 1973 de de-activering eiste van 54 raketten die in silo's diep in de grond zaten verborgen, onder andere in Arizona. Het complex bij Green Valley zou open blijven als museum - er moest nog flink wat extra onderhandeld worden voor dat mocht. Het klonk veelbelovend maar wij konden niet uitvogelen wanneer het ding eigenlijk open was.

Waterscherm

We eindigen onze twee weken in Arizona in Phoenix. Op weg van Tucson naar de hoofdstad stoppen we nog in Casa Grande Ruins National Monument.Op deze plek lag eens een belangrijk dorp van de Hohokam Indianen. Het was ongeveer een vierkante mijl in omvang, maar nadat ze rond 1350 wegtrokken, is slechts één ruïne behouden gebleven, de Casa Grande. Groot is dit gemeenschapshuis zeker. Het is meer dan tien meter hoog, met wanden van modder van vaak een meter dikte. Regen en mensen hebben het bouwwerk wel beschadigd maar sinds het in 1930 werd voorzien van een overkapping, en als monument bescherming genoot, is het redelijk bewaard gebleven.

Het gebouw zelf kan niet worden betreden, maar eromheen lopen geeft een goede indruk. Het is moeilijk voor te stellen dat hier een hoogstaande cultuur leefde, die uit de droge grond genoeg voedingsmiddelen wist te winnen om te overleven. Misschien verrast dat minder als je leest over het feit dat Arizona tot pak weg 1900 eerder te veel dan te weinig water had. Het moet een heel ander landschap geweest zijn. Hoe het er in 1350 uitzag, en waarom de Indianen zijn weggetrokken, blijft een raadsel.

Phoenix zelf is en blijft een rare stad. Los Angeles in het kwadraat talwest2.jpg (14912 bytes) maar het valt niet mee er de charmes van LA te vinden. Het is nu mei en warm en ik weet van eerdere bezoeken dat het hier midzomer niet te harden is. Niettemin biedt de oude State Capitol, die met het koperen dak, een mooie tentoonstelling. Het Heard Museum is een van meest prominente musea op het gebied van Indiaanse cultuur en in Scottsdale, een suburb die nu is opgeslokt door Phoenix, heeft Frank Lloyd Wright met zijn Taliesin West een in deze omgeving ongewoon creatief gebouw neergezet. Geef Phoenix, pak weg, een dag.

Maar niet midden in de zomer. Nu al zitten we op het terrasje aan Civic Plaza met een soort dun waterscherm om ons heen, ter verkoeling uitgestrooid door soort sprinkler installatie - geen wonder dat ze hier door hun water heenraken. Phoenix is de perfecte plek om de twee delen van onze reis, Noord- en Zuid-Arizona weer aan elkaar te plakken. We concluderen dat binnen zo'n staat toch verrassend verschillende werelden kunnen bestaan, elk op zijn eigen manier razend interessant. De combinatie van beide heeft gezorgd voor een prachtige reis door een razend interessant gebied.

Like deze pagina

Specialisten Amerika

Stay tuned

Wil jij elke maand naar Amerika?

  • Schrijf je in voor de maandelijkse nieuwsbrief boordevol foto's, prijsvragen en insider tips.
  • Ook ontvang je speciale deals van onze partners!

Aanmelden nieuwsbrief

Amerika kenner
Sponsors