| Leve het Amerikaanse
campagnesysteem Door Frans Verhagen
Vandaag gaan de Amerikanen weer van start met hun bizar
ogende manier om presidenten te kiezen. Toch doen ze dat zo gek nog niet, gegeven hun
politieke systeem. Uiteindelijk moeten de Amerikanen iemand kiezen die ze nu nog maar
nauwelijks kennen, waar ze vier jaar niet vanaf kunnen en voor onbekende omstandigheden.
Kortom, ze nemen een sprong in het diepe en stellen wel enige eisen aan degene die hen
daartoe uitnodigt. Het mooie van het campagnesysteem is dat het ongeschikte en minder
campabele lieden genadeloos ontmaskert. En dat de kiezers die dan heerlijk naar huis
kunnen sturen.
Kijk bijvoorbeeld eens naar de campagne van 1988, toen
George Bush Sr de vloer aanveegde met Michael Dukakis. Menig weldenkend Amerikaan was na
acht jaar Reagan bereid om een faire kans te geven aan Dukakis, een weldenkende, rustige
en beschaafde man die als gouverneur van Massachusetts zijn staat had omgevormd van een
roestvaalt tot een centrum van high tech. Dukakis gold als een Nieuwe Democraat: bewogen
en betrokken maar rationeel en niet gevangen in het big government-denken. George Bush was
voor veel mensen een whimp, een slappeling, die zijn ziel had verkocht aan Ronald Reagan
en nog nooit was betrapt op eigen ideëen.
Aan het eind van de campagne was duidelijk dat Dukakis
niet geschikt was om president te worden. Hij was overmoedig, arrogant, had zijn campagne
niet onder controle, kon niet organiseren, niet debateren, verdedigde zich halfslachtig
als hij werd aangevallen, zag er niet presidentieel uit en gedroeg zich evenmin zo -
kortom: de opeenstapeling van indrukken tijdens de campagne maakte duidelijk dat hij
vooral geen president moest worden. De Amerikanen kozen massaal voor Bush, niet uit liefde
of overtuiging, maar op basis van gezond verstand.
Het was een duidelijke keuze gebaseerd op duidelijke
motieven, gegrond in wat mensen het jaar daarvoor hadden gezien.
Dukakis is niet het enige voorbeeld. In 1964 en 1972
gingen respectievelijk Barry Goldwater en George McGovern aan een soortgelijke
zelfdestructie ten onder. Achteraf lijkt het alsof die twee altijd al kansloos waren, maar
zo vanzelfsprekend was dat niet. In het begin weet het land gewoon nog weinig van de
kandidaten. Soms gaat het zelfs andersom: dan blijkt een onbekende ineens meer in huis te
hebben dan iedereen dacht. Kijk naar Wendell Willkie in 1940 en Jimmy Carter in 1976. Het
kiezen voor Ronald Reagan in 1980 was gebaseerd op de indruk die hij in de campagne
maakte. Zo verrassen Bill Bradley en John McCain dit verkiezingsjaar.
Ontelbaar is het aantal kandidaten dat ooit veelbelovend
oogde maar in het voorverkiezingsproces werd vermalen door incompetentie of domheid. Phil
Gramm, Gary Hart, John Glenn, Alan Cranson en ik kan u nog tien onbekende namen noemen:
allemaal capabele politici die dachten dat ze als president iets konden betekenen. U hoeft
er geen traan om te laten. Een campagne is een test. Een vuile test, een harde test, maar
wel een relevante test. Deze heren waren niet geschikt.
Er wordt vaak over geklaagd: het zou de beste mensen
buitenspel zetten, het zou de verkeerde eisen stellen. Dat is niet zo. Het Amerikaanse
systeem is niet ideaal, maar het het doet feilloos wat het moet doen: ongeschikte mensen
uit het Witte Huis houden. Dat betekent niet dat wie er wél terechtkomt bij uitstek
gekwalificeerd is, maar ja, niemand weet wat een president een succes maakt en dan is het
nog niet zo gek je neer te leggen bij een systeem dat in elk geval dommeriken, luiaards,
radicalen en gevaarlijke gekken buiten de deur houdt.
Ik wil maar zeggen: campagnes zijn nuttig. Ze zijn een
mooie leerschool voor de grote mensen wereld. Tijdens een campagne moet een kandidaat niet
alleen zichzelf definiëren en het vertrouwen winnen, hij moet ook laten zien dat hij een
organisatie kan runnen, de juiste mensen kan aantrekken, financiers enthousiast kan maken,
kortom, hij moet tonen dat hij iets in zijn mars heeft. Dat vertelt een hoop. Wat moet je
met een kandidaat die zijn campagnehoofdkwartier vollaadt met duurbetaalde adviseurs die
hem vertellen dat een cirkel rond is en een vierkant hoeken heeft? Zal die straks in het
Witte Huis wel op eigen benen kunnen staan? Waren al die onthullingen over Clinton in 1992
nu echt zo irrelevant?
Zelfs het geld is belangrijk. Want ook hier geldt dat de
vaardigheid om dat geld los te krijgen minstens twee dingen duidelijk maakt. Ten eerste
laat het zien of de kandidaat een minimum van steun heeft bij mensen die geld over hebben
voor politiek. Het lijkt alsof dat alleen maar rijke en/of conservatieve politici
bevoordeelt, maar dat is niet zo. Niet alle rijken zijn onverbeterlijk conservatief of
hebzuchtig. Hollywood en Silicon Valley zijn bijvoorbeeld tamelijk liberaal. Ook als het
campagnesysteem hervormd zou worden, moeten kandidaten steun verwerven en ik denk dat de
dynamiek niet fundamenteel verandert.
Ten tweede vereist geld inzamelen een organisatie én een
boodschap. Als Elizabeth Dole al in november 1999 moest afhaken, dan was dat vanwege haar
falen om een boodschap uit te dragen of een geloofwaardige campagne op poten te zetten.
Geen boodschap, geen geld. Kijk maar naar Bill Bradley die op eigen kracht meer geld heeft
ingezameld dan vice-president Gore. Hij overtuigt, Dole niet. Geld smeert niet alleen, het
selecteert ook.
Het verklaart ook waarom al die vervelende vragen worden
gesteld. Bush verschrikte reactie op de vraag naar zijn cokegebruik liet zien hoe
onvoorbereid hij was, na twee jaar treuzelen, op een campagne. Zijn vermeende gebrek aan
kennis en diepgang zijn relevant. Maar ook zijn kennelijke bereidheid om snel te leren.
Dat Al Gore voor 15.000 dollar per maand een adviseur heeft ingehuurd om hem zijn andere
ik te laten ontdekken vertelt iets over Gores onzekerheid, én over zijn dure
campagne vol met zakkenvullers. Senator McCain zou iemand zijn met onbeheersbare
woedeaanvallen? Nou, laten we dan maar eens proberen hem kwaad te krijgen, je wilt
uiteindelijk geen losgeslagen kanon in het Witte Huis. De meest futiele vragen zijn
gerechtvaardigd, het porren is nuttig, en ook de weigering om te antwoorden vertelt wat.
Zo heeft Bill Bradley blijkbaar een grote mate van afscherming van zijn privéleven
verworven.
Campagnes zitten vol met incidenten en schijnbaar
triviale ééndag-verhalen. Gelukkig maar. Crises in de campagnes geven de kandidaten de
kans om te laten zien dat ze daarmee kunnen omgaan. Kunnen ze dat niet en brokkelt hun hun
geloofwaardigheid gestadig af onder de genadeloze aanvallen van tegenstanders en pers, dan
kun je dat zielig vinden, maar in elk geval weet je dat de man niet geschikt is voor het
ambt dat hij wil verkrijgen. En daar gaat het allemaal om.
Copyright 2000 Frans Verhagen
|