Pagina verkiezingswebsite Amerika, Derde Partijen in Amerika, elections 2008  

Vakantie in Amerika. Praktische tips, alle staten, alle steden, parken.

Profiteer van de lage dollar!

Elections 2008
de presidentsverkiezingen
Geef u hier op voor de nieuwsbrief

Herziene uitgave
 

Geef hier u op voor verkiezings nieuwsbrief

OPENINGSPAGINA

SAMENLEVING & GESCHIEDENIS

IMMIGRATIEPROJECT

VAKANTIE IN AMERIKA

ALLE 50 STATEN

IN DIT GEDEELTE:

DAGELIJKSE ANALYSE

ABC VAN DE VERKIEZINGEN

MEEST GESTELDE VRAGEN

VERKIEZINGEN 2004

VERKIEZINGEN 2000

VERKIEZINGEN HISTORISCH

ALLE 43 PRESIDENTEN

QUINCY CLUB SITE


Nu  in de boekwinkel!

Alles wat u wilt weten over President Obama: nu in de winkel.
Herziene actuele druk!!

Uitgever: Prometheus
Verkoopprijs: € 9,95
ISBN: 9789035134201
NUR: 680

200 jaar ervaring met immigranten. Zouden we daar iets van kunnen opsteken?

Niet te vinden? Maak 18,50 over op rekening 4092178 tnv Big Sky Amsterdam en u heeft het binnen een week in huis. Gesigneerd!!
Adres erbij svp.

Copyright:
Big Sky Productions BV

U kunt downloaden en opslaan wat u wilt, maar misbruik van het copyright door hergebruik zal vervolgd worden.

Big Sky Productions,
de Amerika-kenners
klik hier voor meer informatie


Disclaimer: wij proberen onze informatie up to date en juist te houden maar kunnen niet garanderen dat op de site verschafte informatie ook klopt. Aan de hier verschafte informatie kunnen geen rechten worden ontleend.


World Ticket Center verzorgt uw vakantie naar de Verenigde Staten van uw vliegticket en hotel tot autoverhuur.

KLM Vliegtickets
Betrouwbaar & comfortabel! Plan en boek uw vliegreis naar de Verenigde Staten online met KLM.


Goedkope vliegtickets naar de Verenigde Staten van Amerika.


Travelnauts, Experts in verre gezinsreizen.
Fly & Drives, Camperhuur, City Trips & Cruises

 

Een raar systeem,  maar het werkt

De Amerikanen hebben een bizarre manier om hun president te kiezen. Maar gegeven hun politieke systeem is het nog zo gek niet. De campagne blijkt een uiterst effectieve manier om ongeschikte en minder capabele mensen af te schrikken of weg te jagen. Het levert niet altijd ideale presidenten op, maar voorkomt in het algemeen ongelukken.

Door Frans Verhagen

Van alle verkiezingscampagnes die ik de afgelopen dertig jaar heb gevolgd, heb ik misschien wel het meeste opgestoken van de strijd in1988, toen het ging tussen de nu vergeten Michael Dukakis en George Bush. Als ik ooit overtuigd ben geraakt van de goedeMichael Dukakis kanten van het Amerikaanse systeem van presidenten kiezen, dan was het toen.

Leverde het de best mogelijke president op, of zelfs een goede president? Daarover valt te twisten. Maar wat ik dat jaar wèl zag gebeuren, was dat de campagne genadeloos aantoonde dat één van de twee kandidaten niet geschikt was. Anders gezegd: het werd duidelijk dat Michael Dukakis maar beter niet president kon worden.

Toen ik erover ging nadenken, realiseerde ik me dat iets dergelijks ook gold in 1964 en 1972, toen respectievelijk Barry Goldwater en George McGovern in de loop van de campagne totaal incapabel bleken. Achteraf lijkt het alsof dat altijd al duidelijk was, maar dat is niet zo. Aan het begin wisten we gewoon nog niet zoveel van de heren. Soms gaat het ook andersom: dan blijkt een onbekende in de loop van de campagne meer in huis te hebben dan iedereen dacht. Kijk naar Wendell Willkie in 1940 en Jimmy Carter in 1976.

George H.W. BushEn dan hebben we het alleen nog maar over de uiteindelijke verkiezingen. Ontelbaar is het aantal kandidaten dat ooit veelbelovend oogde of omhoog werd geschreven, maar in het voorverkiezingsproces werd vermalen door vertoon van incompetentie of domheid. Phil Gramm, Gary Hart, John Glenn, Alan Cranson en ik kan nog tien u onbekende namen noemen: het waren allemaal capabele politici die dachten dat ze als president iets konden betekenen. Steeds bleken ze tijdens de campagne niet geschikt. Ontelbaar zijn de lieden die al niet eens aan een campagne begonnen, omdat ze er tegen opzagen om een jaar lang het land rond te reizen en de dingen te doen die nodig zijn om de nominatie en het presidentschap te verwerven. Niets is gemakkelijker dan met het idee te spelen, niets is moeilijker dan het ook daadwerkelijk uit te voeren.

Daarover wordt vaak geklaagd. Het zou de beste mensen buitenspel zetten. Het zou de verkeerde eisen stellen. Maar ik zou willen betogen dat die klachten onterecht zijn. Het Amerikaanse systeem van presidenten kiezen mag verre van ideaal zijn, het doet feilloos wat het moet doen: het zorgt ervoor dat ongeschikte mensen niet in het Witte Huis komen. Toegegeven, dat betekent niet dat wie er wèl terechtkomt, daarvoor bij uitstek gekwalificeerd is, maar bij gebrek aan criteria voor wat iemand tot een succesvolle president maakt, leg ik me toch zonder al te veel moeite neer bij een systeem dat in elk geval dommeriken, luiaards, radicalen en gevaarlijke gekken buiten de deur houdt. Of dat, zoals in 2000, een relatief onbekende Bush met een eenvoudige boodschap en een betrouwbare uitstraling, verkoos boven de betweter Al Gore, een omgevallen boekenkast die de kiezers het gevoel gaf dat er iemand sprak waar ze geen enkele voeling mee hadden.

Jonge aantrekkelijke gouverneur

Aan het begin van 1988 had ik een hoge pet op van Michael Dukakis, de gouverneur van Massachusetts. Dukakis had zijn staat omgevormd van een achteropgeraakte, oude industriestaat tot ‚‚n die in entrepreneurschap en technologie de toon aangaf. Hij had de overheid daarbij een nuttige rol laten spelen en tegelijkertijd de te hoge belastingdruk teruggedrongen. Hightech was toen nog een toverwoord en Route 128 met zijn vele nieuwe bedrijven was een soort Silicon Valley van New England.

Michael Dukakis was een van de generatie jonge, aantrekkelijke gouverneurs die daadwerkelijk hadden laten zien dat ze beleid konden uitzetten en uitvoeren. Bovendien was hij intelligent, redelijk welbespraakt, onafhankelijk en bezield van een goed stel idealen. We wisten ook dat hij wat technocratisch was ingesteld en dat hij na ‚‚n termijn gouverneurschap door de kiezers naar huis was gestuurd omdat hij te weinig naar hen luisterde. Maar vier jaar later had hij boete gedaan, veel bijgeleerd en slaagde hij erin de eerste van twee opeenvolgende termijnen te winnen, waarin hij al deze goede dingen deed. Dukakis klonk intelligent, sprak in normale zinnen en leek ook nog wat zinnigs te zeggen.

Zijn tegenstander, George Bush de Oudere, had ik heel wat minder hoog zitten. Bush had zich, vond ik, intellectueel verkwanseld aan Ronald Reagan, enkel en alleen om in 1980 het vice-presidentschap te verkrijgen. De man die Reagans economisch beleid terecht omschreef als voodoo economics, bleek daar heel anders over te denken toen het ambt van tweede man opdoemde en wentelde zich in het stof voor de Reagan-aanhangers. Als vice-president had Bush niet veel interessants gepresteerd en niet voorkomen dat Ronald Reagan bij het Iran-Contra-schandaal compleet onderuitging (Bush hield vol dat hij not in the loop was). In de politieke strip Doonesbury was Bush neergezet als een empty suite, een leeg pak. In Washington spraken we toen over die whimp. En George Will, een meestal irritante commentator, omschreef Bush voor een keer treffend als een lapdog van Reagan, een schoothondje. Als spreker was Bush een ramp: hij verkeerde permanent op voet van oorlog met de Engelse taal en de logica, maakte zijn zinnen niet af en verhaspelde zijn gedachten op een manier die ernstige twijfel deed ontstaan over de kwaliteit ervan (wat dat betreft hebben vader en zoon behoorlijk wat gemeen). Als het adagium opgaat dat iemand die zich niet helder kan uiten ook niet helder kan denken, dan moesten we het ergste vrezen. Op originele ideeën was George H.W. Bush nooit betrapt en het enige dat voor hem pleitte, was zijn kennis van en interesse in buitenlandse politiek. Kortom, mijn man was Dukakis.

Desastreuze rit in tank

Toen de verkiezingen uiteindelijk plaatsvonden, in november 1988, was ik radicaal van mening veranderd. Niet over Bush. Ik was geen fan van de man geworden. Integendeel, ik vond steeds meer dat hij een stuitend gebrek aan ideeën tentoonspreidde en maar riep wat in de opiniepeilingen goed uitkwam. En dat pathetische 'Read my lips, no new taxes'! Wat een slap aftreksel van Reagans 'Make my day'! Maar het werkte voor hem.De zelfmoord van Michael Dukakis

Belangrijker was dat ik ervan overtuigd was geraakt dat Michael Dukakis als president een ramp zou zijn. Brave man, goede man, maar in vredesnaam: niet in het Witte Huis. Dat was het gevolg van de campagne.

Tegen november had ik namelijk zo veel van Dukakis en zijn campagne gezien en gehoord dat ik zeker wist dat het nooit meer goed kon komen met de man. Niet omdat hij niet integer, goed of verstandig was. Dat was Dukakis allemaal. Het probleem was dat hij niet in staat was om zich te presenteren als iemand die president zou kunnen zijn. Hij kwam niet over als een leider, als iemand die kon communiceren of kon organiseren. Integendeel, steeds als hij dat probeerde, rezen de haren je te berge. Dukakis was een koele, technocratische vis, iemand die je onmiddellijk zou binnenhalen als president-directeur van een efficiënte organisatie. Niet dat je hem het personeelsbeleid zou geven, maar je wist wel dat hij daarvoor een goed iemand zou aantrekken. Hij zou zich omringen met goede adviseurs en soms, geheel tegen hun zin, toch zijn eigen gang gaan.

Allemaal prima, maar een president is geen president-directeur. Een president is primair een verkoper, een standwerker, een marktkoopman die mensen moet overhalen zijn hoestdrankje of elixer te kopen. Een president moet zijn beleid kunnen verkopen, moet vertrouwen wekken dat uitnodigt tot volgen, moet coalities kunnen maken, hij moet kunnen omgaan met tegenslagen, verrassingen en onder grote druk besluiten kunnen nemen en moet er dan zeker van zijn dat de mensen hem zullen volgen. Tijdens de harde en tamelijk smerige campagne die George Bush Sr. tegen hem had gevoerd, was gebleken dat Dukakis dat allemaal niet in huis had. Hij was niet geloofwaardig. Het hoogtepunt in zijn teloorgang was de desastreuze beslissing van Dukakis' campagne om hem met een helm op in een tank te zetten en te laten rondrijden, ter onderstreping van zijn 'hardheid' op militair en buitenlands terrein. De beelden waren vreselijk en onthullend: in een tank die rondjes reed voor de camera's, stak een stukje bovenlijf omhoog in een wit overhemd, met keurige stropdas. Daarboven zat een hoofd dat voor de gelegenheid was voorzien van een helm. Dat hoofd keek zichtbaar ongelukkig, het gelaat bevroren in een grimlach die liet zien dat hij zich met tegenzin had laten overhalen tot dit vertoon. Het was een onvergetelijk spektakel. Avond aan avond werd het op de nieuwsuitzendingen herhaald en steeds weer lagen we schuddebuikend onder tafel. Exit president Dukakis. In één klap was de kans om nog geloofwaardig leider te kunnen zijn voor Dukakis verdwenen. Het was een cruciaal moment, zo'n punt waarop kiezers hun keuze maken, een moment waarop de opeenstapeling van verkiezingsmateriaal duidelijk maakt wat voor vlees er in de kuip zit.

Het aardige is dat elke campagne zo'n cruciaal moment kent, zo'n punt van ommekeer. De ondergang van Dukakis was extreem omdat hij zo lachwekkend was, maar er komt altijd een moment dat alles samenvat wat een kiezer voor zichzelf al heeft opgeslagen. Natuurlijk zoeken campagnes naar zo'n moment, zowel positief om hun eigen kandidaat neer te zetten als negatief om de tegenstander onderuit te halen, maar het komt er alleen als er iets samen te vatten is. Een campagne leidt tot zo'n opsomming. Op zo'n moment lijkt het allemaal triviaal en flauwekul, maar zo'n scène somt het hele verhaal op: Dukakis in de tank toont iemand die zich niet realiseert wat mensen verwachten en verlangen van een president. Iemand die maar wat probeerde om zijn campagne nieuw leven in te blazen, iemand die zichzelf niet meer is. Vergelijkbare momenten in andere campagnes waren het debat tussen Jimmy Carter en Ronald Reagan ('There you go again'), president Bush op zijn horloge kijkend tijdens het debat in 1992, de foto van Gary Hart met op schoot de vriendin-voor-een-weekend.

Ook de campagne van 2000 had zo’n moment, of liever drie momenten. Het waren de debatten. Er wordt altijd veel heen en weer geschreven over het nut van deze vrij formele zittingen, maar het mooie is dat ze vrijwel altijd belangrijk blijken. Zo ook in 2000. Wie alleen naar de argumenten luisterde, kon zichzelf vertellen dat Gore het goed had gedaan. Maar wie naar de setting keek en de lichaamstaal van de kandidaten, zag dat Clintons vice president daar de verkiezingen verloor. In een poging op te scheppen over zijn ervaring claimde Gore te veel (zoals de belachelijke vergissing om te zeggen dat hij ‘het internet had uitgevonden’). Hij kwam pompeus en pedant over. En ernstiger, hij moest in het debat erna tijd gebruiken om zijn verontschuldigingen aan te bieden aan Bush.

Daarna ging het van kwaad tot erger. Gore bleef maar aanvallen en beargumenteren, zonder een idee te geven vanuit welke inspiratiebron en met welke basiswaarden hij functioneerde. Bush deed het omgekeerde: hij hield zich op de vlakte maar liet duideiljk weten waar hij stond in het leven en waarom je op hem kon vertrouwen. Toen Gore ook nog eens een keer tijdens het debat naar Bush toeliep en hem met zwaaiende vinger terecht wees – en daarmee zijn ‘private space’ penetreerde, was het pleit beslecht. Wie nog twijfels had over Gore, zag ze bevestigd.

Alles draait om vertrouwen

Ik wil maar zeggen: campagnes zijn nuttig. Ze bepalen welke kandidaat het vertrouwen verdient. Want vertrouwen, daar gaat het om. En vertrouwen is een persoonlijke zaak, zowel van de kiezer als van de kandidaat. Als president Clinton in zijn tweede termijn niets gedaan heeft gekregen, dan is dat omdat hij vertrouwen beschaamd had. Niemand geloofde hem meer, niemand was bereid zich door hem te laten meevoeren, hij had geen politiek krediet. Daarom kreeg hij de Test Ban Treaty in het najaar van 1999 niet meer door de Senaat, terwijl Jimmy Carter, zeker geen

succes, er toch in slaagde om tijdens zijn ambtstermijn belangrijke verdragen gerealiseerd te krijgen. Het voorbeeld van president Clinton is leerzaam, omdat datgene wat we tijden zijn presidentschap hebben gezien, zowel de successen als de mislukkingen, allemaal al zichtbaar waren in de campagne. Wie goed gekeken en geluisterd had in 1992 had al de vriendelijke flierefluiter gezien achter de intelligente, gepassioneerde politicus. Mensen hoopten dat hij zijn lesje had geleerd en kwamen bedrogen uit – het vertrouwen was onterecht geweest.

Campagnes zijn noodzakelijk in Amerika. In presidentsverkiezingen komt meestal een groot aantal kandidaten opdraven, waarvan de gemiddelde kiezer er niet één goed kent en van de meeste zelfs nog nooit heeft gehoord. Neem Gore (of Mondale in 1984 en Bush in 1988): acht jaar vice-president geweest en toch kende de gemiddelde burger hem niet. De meeste andere kandidaten beginnen met een nog veel grotere achterstand. Wie kent Kucinics, Sharpton, Edwards, Kerry of zelfs de doorgebroken Howard Dean? En dat moet dan aantreden tegen een zittend president die iedereen kent – en waar iedereen een mening over heeft.

Kans om iets te laten zien

In een campagne moet een kandidaat zich definiëren. Hij of zij moet laten zien wie hij is, waar hij voor staat en of hij dat kan overbrengen. Maar het gaat toch vaak alleen maar om negatieve campagnes, zult u tegenwerpen. Dat is waar, maar ook dat is een vorm van definiëren. Als de kandidaat zichzelf niet neerzet dan doet zijn tegenstander dat voor hem. Opnieuw was hier de campagne van 1988 uiterst instructief. Dukakis lag ver voor toen aan het begin van de zomer de Democratische Conventie plaatsvond. Na zijn officiële nominatie ging hij op vakantie. De Republikeinen die een paar weken later bijeen kwamen, gingen echter hard in de aanval. Aangezien de meeste kiezers Dukakis nog niet kenden, slaagde de Bush-campagne erin om de man te definiëren voor hij dat zelf had gedaan. Toen Dukakis wakker werd, was het al te laat. Hij poogde zich te verdedigen, maar dat maakte het alleen maar erger.

Een campagne is ook een uitstekende manier voor een kandidaat om te laten zien dat hij een organisatie kan runnen, de juiste mensen kan aantrekken, financiers enthousiast kan maken voor zijn boodschap, kortom, dat hij organisatorisch iets in zijn mars heeft. Dat is niet triviaal. Een kandidaat die zijn campagnehoofdkwartier vollaadt met duurbetaalde adviseurs die hem vertellen dat een cirkel rond is en een vierkant hoeken heeft, is iemand die straks in het Witte Huis ook niet zijn eigen mening zal kunnen vormen. En wat moet je met zo'n president?

En die financiën. Er wordt altijd en eeuwig geklaagd over de rol van het grote geld in de VS. Maar ook hier geldt: de vaardigheid om dat geld los te krijgen vertelt minstens twee dingen. Ten eerste laat het zien of de kandidaat een minimum van steun los kan krijgen bij mensen die geld hebben. Het lijkt alsof dat alleen maar rijke en/of conservatieve, veel belastingvoordelen belovende politici bevoordeelt, maar dat is niet zo. Niet alle rijken zijn onverbeterlijk conservatief of hebzuchtig. Hollywood bijvoorbeeld (en Silicon Valley) is juist tamelijk liberaal. En wie zoals Howard Dean dit jaar, miljoenen weet los te krijgen in kleine bedragen bij heel veel mensen, die is op een heel ander spoor bezig.

Ten tweede vereist geld inzamelen een organisatie én een boodschap. Als Elizabeth Dole al in november 1999 moest afhaken, dan was gebrek aan geld de directe reden daarvoor, maar dat gebrek was het gevolg van haar falen om een boodschap uit te dragen of een geloofwaardige campagne op poten te zetten. Als Howard Dean, onbekend ex-gouverneur van Vermont, meer loskrijgt dan gevestigde namen, dan vertelt dat iets over wat de man los maakt. Succes in geld inzamelen onderstreept zijn succes.

Geld vervuilt, dat is zeker. Maar het vervuilt zonder onderscheid. Met andere woorden, als iedereen gedwongen is geld in te zamelen, dan vertelt het iets over de relatieve vaardigheden van de kandidaten. Is het een diskwalificatie van iemand als hij geen geld los kan krijgen? Niet als persoon, maar het geeft te denken over zijn geloofwaardigheid. Geld smeert én selecteert.

Niet de vragen maar de antwoorden

Ik moet toegeven: ik ben dol op verkiezingscampagnes. Het zijn zulke intense, de ziel blootleggende ondernemingen, dat ze meer drama, spanning en psychologie van de koude grond verschaffen dan de meeste boeken kunnen bieden. Maar ik waardeer ze ook op hun inhoudelijke waarde. Ze leggen meer bloot dan veel mensen denken. Dat geldt ook als er vragen gesteld worden die we als te triviaal en/of te privé‚ beschouwen. Want niets is te triviaal of te privé‚.

Ga maar na. Niemand zal nu nog ontkennen dat vragen over Clintons marihuanagebruik ('niet geïnhaleerd'), ontlopen van de dienstplicht ('geen speciale voorrechten'), rokkenjagerij ('problemen in ons huwelijk, nu voorbij') en de gladheid die hem de bijnaam 'Slick Willy' opleverde, niet een heel aardig beeld gaven van wat we van hem als president hebben gekregen. En ik durf gerust te stellen dat Amerikanen in 1992 Clinton niet hadden gekozen als ze wisten wat ze nu weten. Niet de vragen waren belangrijk, die mag je stellen. De antwoorden, die waren alles onthullend.

En je ziet hoe dat werkt. In de zomer van 1999 kwam de vraag op naar eventueel cokegebruik van George W. Bush van belang. Niet vanwege de coke per se. Nee, als je twee jaar lang hebt nagedacht over je kandidatuur, als je weet wat voor vragen er zullen komen en als je dan bij de eerste de beste vraag loopt te stuntelen als een beginneling, dan is er misschien iets meer fundamenteels mis. Het vertelt iets over de kandidaat.

Vandaar ook het belang in 2000 van de ‘onthulling’ dat Al Gore de feministe Naomi Wolf voor 15.000 dollar per maand op de loonlijst had staan om hem over psychobabbel-onzin te informeren,. Zij raadde hem onder meer aan om meer beige pakken te dragen om zijn zachte kanten en zijn aard-gevoelens over te brengen. Kiezers schrikken van zoiets. Als Gore iemand als Wolf nodig heeft om hem in staat te stellen zijn diepere ik te exploreren, wat zegt dat dan over de zelfkennis van Gore? De debatten bevestigden dat er een man zonder stevig zelfbeeld zat. En dat was dat. Zo zullen de kiezers willen weten wat ze hebben aan een onervaren man als Howard Dean. Ze weten dat hij huisarts is geweest, dat helpt. Maar kan hij ook naar hen luisteren? En die senator Kerry, de Vietnam veteraan, is die niet wat opportunistisch over oorlog en vrede? Of senator Lieberman, die ethische onderwerpen hoog in zijn vaandel voert, is dat eigenlijk niet een overdreven zeurderige ouwe man, zo’n oudoom die steeds komt vertellen hoe een ‘goed’ leven geleid moet worden.

Campagnes hangen van incidenten aan elkaar. Maar dat is niet erg. Ieder incident is een mogelijkheid om te laten zien wat je in huis hebt. En daar gaat het om. Crises in de campagnes geven de kandidaten de kans om te laten zien dat ze daarmee kunnen omgaan. Als ze dat niet kunnen, als hun geloofwaardigheid gestadig afbrokkelt onder de genadeloze aanvallen van tegenstander en pers, dan weet je tenminste zeker dat de man niet geschikt is voor het ambt dat hij wil verkrijgen. Daar gaat het allemaal om.

Om Churchill te parafraseren: Amerikaanse presidentscampagnes zijn zeker geen ideale manier om presidenten te kiezen, maar ik ken geen beter systeem.

 

Terug naar openingspagina verkiezingen 2008