Vakantie in Amerika. Praktische tips, alle staten, alle steden, parken. |
Elections 2008 |
|
Geef hier u op voor verkiezings nieuwsbrief OPENINGSPAGINA IMMIGRATIEPROJECT IN DIT GEDEELTE: |
|
Alles wat u wilt weten over President Obama: nu in de winkel. Uitgever: Prometheus |
200 jaar ervaring met immigranten. Zouden we daar iets van kunnen opsteken? Niet te vinden? Maak 18,50 over op rekening 4092178 tnv Big Sky Amsterdam en u heeft het binnen een week in huis. Gesigneerd!!
|
U kunt downloaden en opslaan wat u wilt, maar misbruik van het copyright door hergebruik zal vervolgd worden. Big Sky Productions,
Goedkope vliegtickets naar de Verenigde Staten van Amerika. Travelnauts, Experts in verre gezinsreizen.
|
|
|---|
Neoconservatieven
|
||
Door Frans Verhagen De basis voor dit artikel dateert uit 2003. Natuurlijk hebben de neocons sinds het debâcle in Irak behoorlijk aan invloed ingeboet. Het lijkt erop dat de buitenlandse politiek geleidelijk aan zijn traditionele bedding weer zal vinden. Niettemin heeft John McCain veel van deze mensen ingehuurd als adviseur en lijkt zijn beleid een aantal belangrijke elementen van de regering Bush over te nemen. Neo moet in recente jaren het meest misbruikte voorvoegsel zijn in de Engelse én Nederlandse taal. Van neo-toffelemoons, tot neomodern, van neoliberaal tot neoconservatief: de spraakverwarring is immens. Plak er neo voor en je hebt een concept, de suggestie van nieuw denken, nieuwe analyse. Allemaal onzin. Neoconservatisme is noch nieuw, noch conservatief. En daarmee begint de verwarring. Je kunt een lang en een kort verhaal vertellen over de neoconservatieven, maar de conclusie is in beide gevallen meestal hetzelfde: het is een catch all term voor ‘de kliek rond Bush’. Dat verheldert niets. Zo deed Ko Colijn onlangs in Vrij Nederland (nb. in 2003) de ronde en legde keurig, zij het omslachtig, uit dat er grote verschillen bestaan in wereldvisie en in buitenlandse politiek adviezen binnen de regering Bush. Er zijn machtsrealisten, pragmatici, idealisten, wereldverbeteraars, Wilsonians en wat al niet. Sinds elf september, of beter gezegd, sinds voorjaar 2002 toen de beslissing werd genomen om Irak aan te vallen, heeft een kleine groep van intellectuelen de overhand. Paul Wolfowitz is er het boegbeeld van. Hij is geen extremist: de laatste jaren was hij dean van de keurige John Hopkins School of International Relations. Andere leden van de regering, zoals Dick Cheney en Donald Rumsfeld, hangen niet dezelfde denkwijze aan, laat staan dat Colin Powell en Condoleeza Rice dat doen. Hokjes Dit verhindert gemakzuchtige journalisten en verder iedereen die graag zaken keurig in een hokje opbergt, om te pas en te onpas met neoconservatief te smijten. Veel wijzer wordt je er niet van, zeker niet als de term in historische context wordt gezien. Zo is het nog maar een jaar of tien, vijftien geleden dat correspondenten van de NRC erop stonden om Jesse Helms een neoconservatief te noemen. Wat ze bedoelden waren ouderwetse, evangelisch christelijk geïnspireerde racisten met onomstreden conservatieve instincten. In Amerika werden dit soort lieden gewoon als conservatieven omschreven. Ook waren er de nieuwe conservatieven a la Newt Gingrich en andere agressieve congresafgevaardigden die onder Ronald Reagan een stem kregen. Zij werden in Amerika Nieuw Rechts genoemd. Nog steeds is er sprake van verwarring in Nederland. Zo hebben diverse scribenten zoals de onontkoombare propagandisten van Burke Stichting de doorbraak van het conservatisme gevierd, verwijzend naar de invloed van de neoconservatieven op de Amerikaanse buitenlandse politiek. Hun feestje is te vroeg of misschien vieren ze de verkeerde overwinning of misschien denken ze dat ze gratis pr niet moeten laten lopen. De Amerikaanse neoconservatieven (de echte dan) zijn nogal radicaal, tikkeltje te radicaal misschien voor de Edmund Burke Stichting. Dat vinden ze tenminste in Washington, waar echte conservatieven zich afvragen of de regering Bush niet is gekidnapt door libertarians, de anti-overheids-, anti-belasting activisten die zeker in het begin van de regering Bush de overhand leken te hebben of door op buitenlandse politiek gefocuste imperiumbouwers. Niet zo neo Wat is neoconservatisme dan wel? Neoconservatisme is om te beginnen helemaal niet zo neo meer. Zelf heb ik aan het begin van de jaren tachtig in het prachtige tijdschrift Intermagazine nog eens een artikel geschreven over het fenomeen. Dat was naar aanleiding van de benoeming van deze groep in de media door Peter Seinfels, die er in 1979 een boek over publiceerde: The Neoconservatives, The Men who are changing America’s Politics. Toen al. Een van de belangrijkste vaststelling toen was dat neoconservatieven een ‘partij [waren] van intellectuelen’. Dat was toen en dat is nog steeds zo. De mensen die denken dat er alleen in zuiden en midden van Amerika conservatief wordt gedacht en niet aan de kusten, moeten toch maar eens goed kijken waar de kringen rondom Bush vandaan komen. De oorsprong van de neoconservatieven ligt in de linkervleugel van de Democratische Partij. Het ging om mensen die in de jaren zestig afstand namen van links radicalisme en superoverheidsdenken, en zich verzetten tegen de naar hun smaak te weinig anti-communistische houding van het buitenlandse politiek establishment (wat overigens zowel Democraten als Republikeinen omvatte). Het waren opposanten van de Democratische Partij die George McGovern in 1972 de presidentskandidaat maakte. Maar zo eenvoudige was het nu ook weer niet. Want ze weren ook fel anticommunistisch. Geen fans van Nixon en Kissinger, met hun beleid van accommodatie, maar al helemaal niet van ‘appeasers’ zoals McGovern. Een van de leiders was de Democratische senator van de staat Washington, Henry (‘Scoop’) Jackson, die mede de bijl zette aan de detente door het Jackson-Vanick amendement dat detente afhankelijk maakte van de behandeling van Joodse Sovjet burgers die wilden emigreren. Maar een van de voormannen was ook George Meany, de leider van de AFL-CIO, de vakbond die in de jaren tachtig miljoenen dollar sluisde naar anticommunistisch activisme in landen als Polen, Nicaragua, El Salvador en Chili. Kenmerkend was ook altijd hun directe band met de zittende machthebbers. Zo identificeert Steinfels de Trilateral Commission (indertijd behandeld als een soort globalistisch Dickerdackse club waar alle besluiten werden genomen) met neoconservatief denken en zet hij Zbigniew Bzrezinski, Carters veiligheidsadviseur in deze club. American Enterprise Institute Begin jaren tachtig kwam een think tank op, het American Enterprise Institute (dat anno 2003 de favoriete club is van de regering Bush), dat zich binnen het Republikeinse conservatisme afzette tegen de Heritage Foundation, die veel meer christelijk en conservatief moralistisch waren ingesteld. AEI slaagde erin prestigieuze, nominaal liberale intellectuelen aan te trekken, zoals Irving Kristol, James Q. Wilson, Michael Novak, Ben Wattenberg en Nathan Glazer. Zij gingen het debat aan met de meer traditionele conservatieve economisch georiënteerde deskundigen. Ik ben zelf vaak te gast geweest op deze fascinerende seminars, waar op Amerikaanse wijze werd gedebatteerd, dat wil zeggen, zonder al te veel terughoudendheid. Omdat president Bush zijn toespraken graag in AEI houdt, heeft die denktank de laatste twee jaar veel aandacht gekregen. Maar ze zijn al twintig jaar actief – aanvankelijk veel meer op binnenlands gebied. In de jaren tachtig was de Heritage Foundation, een traditioneel conservatieve denktank, hun grootste concurrent. De opkomst van de neoconservatieven (met name op binnenlands terrein) kan niet worden losgekoppeld van de culture wars die de afgelopen jaren in de VS hebben gewoed. Het modieus linkse moreel relativisme – iedere cultuur heeft zijn waarde, ook als het leidt tot diametraal tegengestelde normen dan wij hanteren – werd verafschuwd. Het is dan ook niet verrassend dat veel vluchtelingen uit communistische landen in de neoconservatieve beweging opdoken. Niet alleen hadden zij een hekel aan detente en de acceptatie van de Sovjet Unie als een gelijke macht, zij achten ook de westerse cultuur superieur aan elke andere. Neocons verwierpen zowel het linkse schuldgevoel over Vietnam als de cynische machtspolitiek van Kissinger. In plaats daarvan meenden ze dat Amerika goed kon doen in de wereld. Het was niet voldoende om de Sovjet Unie in toom te houden, het regime moest als ‘evil’ worden gekwalificeerd en worden teruggedrongen. Veel van de neocons in die dagen werkten voor Henry Jackson. Moynihan en de poverty trap Binnenlands luidden neoconservatieven de alarmbel over een aantal gevolgen van de groeiende verzorgingsstaat. Daniel Patrick Moynihan, later een Democratisch senator, was de eerste die (als socioloog) een bijtende analyse schreef over de risico’s van het toenemende aantal één-ouder gezinnen in de zwarte gemeenschap – een onbedoeld gevolg van de subsidiecultuur. Moynihan werkte voor de regering Nixon als adviseur op binnenlands terrein. Zoals te verwachten viel werd Moynihans werk door de Democraten en linkse do-gooders opzij geschoven als ‘stigmatiserend’ en negatief over een minderheidsgroep. Dat hij gelijk had, zou in de jaren zeventig en tachtig blijken. Ook op andere terrein begonnen neoconservatieven vraagtekens te stellen bij beleid dat het mensen te gemakkelijk maakte. Een uitgangspunt van hun filosofie is dat burgers altijd stimulansen moeten hebben om zichzelf te verbeteren. De poverty trap, de armoede val die het voor uitkeringstrekkers onaantrekkelijk maakt om te gaan werken omdat ze dan juist geld kwijt raken, is een van hun bijdragen. Ze publiceerden veel in tijdschriften als Commentary, the Public Interest en the National Interest. De kracht van de neoconservatieven is dat hun denken aansluit bij de basiskrachten in de Amerikaanse samenleving. Dit denken is wat de gemiddelde Amerikaan ook denkt, op een minder sophisticated manier. Een van de redenen dat de conservatieve denkwereld zoveel interessanter is dan de progressieve is de hoeveelheid geld die beschikbaar kwam. Vanaf de jaren zeventig begonnen neoconservatieve patronen goed geld beschikbaar te stellen voor intellectueel werk, hetzij in denktanks, hetzij voor artikelen in tijdschriften. Tijdschriften Tot dan toe was het conservatieve denken in de VS nogal beperkt en stompzinnig, gevangen in sociaal conservatisme, racisme en anti-overheidsdenken. Volgens Steinfels was neoconservatisme het serieuze en intelligente conservatisme dat Amerika tot dan toe had ontbroken. Leidende namen waren Irving Kristol die in 1983 Reflections of a Neoconservative publiceerde, Norman Podhoretz, die samen met Kristol Commentary Magazine redigeerde. De zoon van Irving Kristol, William is nu hoofdredacteur van The Weekly Standard, een conservatief weekblad gefinancierd door Rupert Murdoch. De vrouw van Podhoretz, de sociologe Gertrud Himmelfarb (schrijfster van onder meer de ‘De-moralization of Society’), heeft zich ook niet onbetuigd gelaten terwijl Podhoretz schoonzoon, Elliot Abrams onder Reagan onderminister was (en veroordeeld werd wegens het Iran-Contra schandaal) en nu weer in de National Security Council zit. Tegenwoordig wordt veel gepraat over de filosoof Leo Strauss in de context van neoconservatisme. Strauss meende dat het een zwakheid was van het democratische systeem dat het de gevaren van tirannie onderschat. Hij had dat zelf meegemaakt in Weimar. Voor Strauss is geloof het cement van de samenleving, dat houdt het bij elkaar. Net als zijn leerling Irving Kristol meende Strauss dat de grootste fout van de Founding Fathers de scheiding van kerk en staat was. Een seculiere samenleving leidt in hun visie tot individualisme, liberalisme en relativisme, allemaal trekken die te manipuleren zijn tot dreigingen voor de democratie. Overigens komt Leo Strauss in Steinfels boek in het geheel niet voor. Daaruit blijkt dat hij een modieuze toevoeging is aan de demonologie van de neoconservatieven. De tweede generatie neoconservatieven is een ander verhaal. Zij zijn gepokt en gemazeld in de cultuur strijd en zijn ook nooit Democraat geweest, laat staan links. Ze kwamen tot politieke volwassenheid in de Reagan jaren. Hun invloed was aanvankelijk gering. Zo zat William Kristol de jaren van Bush de Oudere uit als chief of staff van vice president Dan Quayle, niet direct de meest invloedrijke politicus. Een aantal van de journalisten stapte begin jaren negentig over van het blad de New Republic (dat altijd tamelijk conservatief was in zijn binnenlands beleid) naar het toen net opgezette Weekly Standard. Ook begon het American Enterprise Institute de stoffige Heritage Foundation te overklassen. De hoofdredactionele pagina van de Wall Street Journal behoort ook tot hun speeltuinen. George H. W. Bush De buitenlandse politiek vleugel van de neoconservatieven was in status nascendi al aanwezig in de regering van George H. W. Bush maar kon daar weinig potten breken. Onder Clinton trokken ze zich terug in de denktanks en suburbs, waar een groep van een man of twintig geregeld bij elkaar kwam, onder meer om de dreiging van Saddam voor het Midden Oosten te bespreken. Veel van de neocons zijn van joodse etnische afkomst en voelen een sterke loyaliteit met Israël, en dan vooral met de Likud Partij. Zij aarzelen niet om, zoals Richard Perle deed, die partij van advies te dienen. De kreet regime change komt uit deze kringen voort. De oude Podhoretz identificeerde in Commentary zo’n tien landen in het Midden Oosten waar hij wel op af zou willen. Het debat speelt zich niet altijd op het hoogste niveau af. Zo stelde de hoofdredacteur van de National Review een traditioneel conservatief blad, dat als terroristen uit moslimlanden een ‘dirty bomb’ zouden laten afgaan in de VS, de VS zou moeten reageren door een nucleaire bom te gooien op Mekka. Andere noties zijn bepaald niet zo buiten de denkpatronen van de meerderheid, zoals het idee dat Amerika zijn macht moet gebruiken a) om te zorgen dat niemand die macht ooit kan bedreigen, en b) om er goede dingen mee tot stand te brengen. Neocons gaan uit van de notie dat de VS nu een unipolaire wereld moet runnen. Die term is voor het eerst gebruikt door de publicist Charles Krauthammer, in 1991. Ze vinden dat Amerika zijn macht niet voor niets heeft, maar moet gebruiken om ‘goed’ te doen (in dat opzicht verloochenen ze hun ex-Democratische afkomst niet: ze zijn curieus genoeg wereldverbeteraars, maakbare samenleving denkers). Militaire macht heb je niet voor niets. Nu is democratisering van de wereld niet uniek als regeringsdoelstelling. Ook president Clinton had het daarover. Als ideaal, niet als iets waar je hardhandig werk van moest maken. Neo-cons zijn duidelijk, dat moet je ze nageven. Ze vertellen wat ze willen, diplomatie is niet hun sterkste kant. Ze staan sceptisch tegenover multilaterale instellingen die Amerika’s macht aan banden leggen – en stemmen daarin overeen met traditionele conservatieven als Jesse Helms en consorten. Walter Russel Mead heeft in zijn boek Special Providence laten zien dat dit een trend is die al veel langer in de Republikeinse Partij aan kracht wint. De verleiding is groot om het te zien als een beweging weg van het oostkust establishment maar de intellectuele wortels van deze neocons bewijzen nu juist dat dit niet zo is. Dat strategische analisten meer bezig zijn met de Pacific, Azië en het Midden Oosten is ook niet nieuw. Dat is al sinds de jaren zestig het geval. Europa zat al op de tweede rij, alleen werd dat pas echt duidelijk toen de regering Bush dat inpeperde. Logica De contacten tussen de neoconservatieven werden niet verbroken tijdens hun wildernisjaren onder Clinton. Deze mensen behoren allemaal tot het establishment. Rumsfeld (al actief in de regeringen van Nixon en Ford) was mede ondertekenaar van een brief in 1998 aan Clinton om Saddam af te zetten (waarna het congres een motie daartoe aannam). In 1992 al schreven Wolfowitz en Libby een rapport voor toenmalig defensieminister Cheney. Daarin werden pre-emptive aanvallen en hogere defensie-uitgaven al voorgesteld. Het ging te ver voor Bush de oudere, maar dat de ideeën in 2001 zomaar uit de lucht kwamen vallen, is zeker niet het geval. Vanuit de logica van hun obsessie met Amerika’s onaantastbaarheid zijn neocons haast vanzelfsprekend geobsedeerd met Weapons of Mass Destruction, destructieve wapens die door terroristen gehanteerd kunnen worden. En het is waar, voor deze dreigingen bieden de traditionele internationalisten geen alternatief. Hun obsessie met het Midden Oosten is een combinatie van hun liefde voor Israël en de onderkenning dat het een brandhaard van terrorisme is. Sinds 9/11 en zeker sinds de inval in Irak op de agenda kwam, lijkt het wel of neoconservatieven de macht hebben overgenomen. Zoals alle eenvoudige verklaringen, klopt hij niet. Het is te simpel. Het nieuwe buitenlandse beleid is voortgekomen uit een samenloop van gebeurtenissen en individuen en is nog steeds ongekristalliseerd en soms vol tegenstrijdigheden. Neocons zijn invloedrijk maar krijgen lang niet in alles hun zin. Er zijn minstens drie groepen die vechten om het oor van de president: de realisten, pragmatici zoals Colin Powell en het State Department, conservatieven van de oude school en de neoconservatieven. Beide laatste groepen hebben totaal verschillende visies op de Amerikaanse rol in de wereld. De term neocon is gelijkgeschakeld met havik. Maar nog Rumsfeld noch Cheney staan te springen om overal militairen in te zetten. Ivo Daalder van de Brookings Institution omschrijft hen liever als ‘assertieve nationalisten’. De echte neocons, meent hij, zijn ‘democratische imperialisten’. Neocons willen wil aan natiebuilding doen, gewone cons niet. Gewone cons zijn dan ook pessimistisch over de rest van de wereld, neocons lopen over van energie om de wereld te veranderen. En neocons, gewone cons én nationalisten zijn het erover eens dat Amerikaanse beleid niet aan banden gelegd mag worden. Nog in 2001 verwees Dick Cheney de neocons naar de coulissen: ‘Oh, die moeten blaadjes verkopen; wij moeten regeren.’ Hij had ook kunnen zeggen dat de intellectuele ideologen achter de neoconservatieven weinig gemeen hadden met de Texaans zakenlui rondom George W. Bush. Blaadjesverkoper Bill Kristol van the Weekly Standard beschreef het State Department als een ‘axis of appeasement’. De Standard is zeker niet schuw in het promoten van visies of interpretaties. Zo droeg een uiterst positieve bespreking van het boek Supreme Command van Eliot Cohen bij aan de aandacht die het kreeg, ook van het Witte Huis. Gesimplificeerd (want Kristol deinst niet terug voor eenvoudige stellingnames) komt Cohens stelling erop neer dat leiders moeten leiden en zonodig de voorzichtigheid van hun militaire leiders terzijde moeten schuiven. Voorbeelden: Churchill, Lincoln, Ben Goerion, Clemenceau. Dat zo’n beeld goed van pas kwam in de neoconservatieve kraam, was natuurlijk geen toeval. Vietnam was in het beeld van Cohen, en van Kristol, een voorbeeld van timiditeit en laksheid van zowel burger- als militaire leiding. Neocons moeten natuurlijk niets hebben van de Powell doctrine, die in feite stelt dat je het leger alleen maar mag inzetten als er een overweldigend voordeel is en je zeker bent van een overwinning. Maar ook dat is niet zo simpel. Donald Rumsfeld zoals gezegd geen neoconservatief, wilde in Irak wel even laten zien wat de VS konden doen met weinig manschappen en veel flexibiliteit en techniek. Patroniserend Europeanen denken graag dat Bush is overvallen door de neocons. Het bevestigt hun patroniserende idee dat de president zelf niets kan bedenken. Maar het klopt niet. Het is Bush die het beleid heeft aanvaard, niet omgekeerd. Het is nu de consensus in de VS. Ook de afkeer van verdragen die Amerika’s vrijheid van handelen beperken, bestaat al heel, heel lang. Soms krijgt deze stroming vorm in een messianistisch beleid: verbeter de wereld. Soms in een isolationistisch beleid: laat de wereld maar stikken. Dat de messianistische variant onder de neoconservatieven nu de overhand heeft, sluit bepaald niet uit dat de isolationistische trend (die iemand als paleoconservatief Jesse Helms veel beter zou bevallen en, trouwens, ook de meeste Amerikanen die niet aan de kusten wonen) straks,na Irak, weer bovenop komt. Uiteindelijk is de terminologie minder belangrijk dan de substantie. Wie de neoconservatieven ziet als een kliek rondom Bush die dankzij de onderontwikkelde intellectuele kracht van de president na 11 september het beleid kon overnemen, onderschat de mate waarin de geformuleerde ideeën breed gedeeld worden. Dit is geen marginale groep: ze bieden het intellectuele frame voor Amerika’s buitenlandse politiek. Wie dat onderschat, ziet niet wat er aan de hand is. |
Een interessante beschouwing over het falen van de buitenlandse politiek van de neoconservatieven door Michael Lind. De commander in chief:
|
|
|
||