Volgens het Sociaal en Cultureel Planbureau is de woonsituatie van etnische Nederlanders de afgelopen tien jaar steeds meer gaan lijken op die van hun niet etnische landgenoten. Dat wil zeggen dat het eigen woningbezit toenam en ook het aantal kamers dat men heeft of wil hebben. Steeds vaker beschikken vooral Marokkaanse en in minder mate Surinaamse Nederlanders over een eengezinswoning. Onder Turkse Nederlanders was dat al zo en dat is onveranderd. Ook als men niet kocht is men een groter deel van het inkomen aan het wonen gaan besteden omdat huren sneller stegen dan inkomens. Als ze huren maken ze gebruik van sociale huurwoningen en doen ze een beroep op de huurtoeslag. Met andere woorden, zegt het rapport, de opgave om de ‘minderheden’ te laten aanhaken op de mogelijkheden van de verzorgingsstaat, is geslaagd.
De stijging van de waarde van de huizen was onder etnische Nederlanders gelijk aan die van anderen. Wel zijn ze steeds meer tevreden met hun woonsituatie. Er wordt ook vaker verhuisd in etnische groepen.
Deze ontwikkeling, en dat is het goede eraan, is het gevolg van de verbeterde sociaal economische positie van etnische Nederlanders. Tweede generatie Nederlanders worden steeds meer op eigen kracht deel van de middenklasse en dan willen ze ook een huis hebben, net als andere mensen met dezelfde inkomens. Het SCP rapport verwacht dat deze ontwikkeling door zal zetten omdat de inkomens van etnische Nederlanders zullen stijgen. Bovendien wonen velen van hen nog ‘onder hun stand’, zoals het rapport het noemt.
Het rapport stelt ook vast steeds meer Turkse, Marokkaanse en in minder mate Surinaamse en Antilliaanse Nederlanders buiten de randstad wonen. In de steden waar ze wonen, neigen ze ernaar om bij elkaar te wonen. De aandelen van etnische Nederlanders in die wijken stijgen, maar het rapport stelt een ontwikkeling vast dat ze vertrekken naar groeikernen en andere buitengemeenten. Ruimtelijke segregatie is het sterkst (gemeten aan de kans van etnische Nederlanders om andere Nederlanders tegen te komen) in de grote steden, met Den Haag traditioneel op kop. In kleine steden zoals Zaanstad, Leerdam en Roermond, is de segregatie relatief sterker. Het patroon is gemengd. In sommige steden gingen etnische Nederlanders meer bij elkaar zitten, in andere juist minder. De verklaring is de ontwikkeling in de lokale woningvoorraad, maar ook de aanwezigheid van familienetwerken die men niet wil kwijtraken, speelt een rol. Ongeveer zeven procent van de multiculturele wijken met minimaal een kwart etnische Nederlanders is nadrukkelijk ‘niet arm’. Dit percentage stijgt.
De verschillen tussen diverse groepen in koopgedrag zijn groot. Niet etnische huishoudens hebben voor 60 procent een eigen huis, Surinamers voor 30 procent, Antillianen 20, Turkse Nederlanders 26 en Marokkaanse Nederlanders 14 procent. Verklarende factoren zijn allereerst het lagere inkomen. Koopwoningen zijn direct verbonden met inkomen. Veder speelt het woningaanbod in de gebieden waar etnische Nederlanders wonen een rol. Met andere woorden, als je in je familienetwerk wilt blijven, valt er niets te kopen voor een aanvaardbare prijs.
De familiebanden maken wel degelijk een verschil. Wat dat betreft lijkt het rapport een verslag van een verzuild deel van de samenleving. Vijftig jaar geleden besloten gezinnen ook tot wonen in een omgeving van mensen met dezelfde netwerkkenmerken. Wel anders is de vaststelling dat met name onder eerste generatie het een hogere prioriteit had om een (vakantie)huis te kopen in het thuisland dan in Nederland. Ook geen verrassing is dat hypotheken moeilijke dingen zijn. Sommige etnische gezinnen willen die verantwoordelijkheid niet aan, gekoppeld ook aan de onzekerheid over inkomensvooruitzichten.
Over de ruimtelijke concentratie zeggen de onderzoekers dat die meer ten dele is te verklaren door kenmerken van huishoudens en van de woningmarkt. Met andere woorden, goedkope huurwoningen en lage inkomens verklaren slechts de helft van het verschil met niet etnische groepen. Familiebanden verklaren het meeste. Daar hechten etnische Nederlanders meer aan dan niet etnische Nederlanders. Voor een deel van de middenklasse is het juist aantrekkelijk om daaruit los te komen. Ze verhuizen om de druk en de claims van familie te ontlopen. Ten slotte is er enige terughoudendheid om in een helemaal Nederlandse wijk te gaan wonen. De weerstand komt vooral van de autochtonen kant. Daarom verhuizen ze liever naar een wijk waar al veel etniciteit genoten wonen. Het rapport constateert dat de ‘koudwatervrees’ van twee kanten komt.
Conclusies zijn onder meer dat discriminatie vrijwel is uitgebannen. ‘De positieverbetering van met name Turkse en Marokkaanse Nederlanders ontwikkelt zich nu meer op eigen kracht’, zeggen de onderzoekers ook. Naarmate de etnische wijken gevarieerder worden, is het ook aantrekkelijker voor niet etnische Nederlanders om er te gaan wonen. Al was het maar omdat in die wijken de huizen nog betaalbaar zijn. Zo komen niet etnische Amsterdammers naar Slotervaart en Bos en Lommer, en zoeken jonge etnische gezinnen uit de middenklasse de Vinex wijken op.
Het rapport is als PDF te downloaden.