Keep on Truckin, dwars door Canada en VS vanuit Quebec

VISITCANADA.NL

 

 

Let op: de pagina's van deze site zijn verplaatst.

Klik op de foto voor de link 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

POLITIEK DAGBOEK | HOME |BULLETINBOARD | SAMENLEVING





 



 

Keep on Truckin'

Van Québec naar Los Angeles per Peterbilt

Europeanen dromen vaak van Noord-Amerika. Vooral de lange wegen in het westen spreken tot de verbeelding en er zijn heel wat mensen die weleens met een truck mee zouden willen rijden, van oost naar west. Het Franse reisbureau Nouvelles Frontières biedt de mogelijkheid om met een Québecse truckmaatschappij een week te reizen als vrachtwagenchauffeur. Jean-Pierre Sylvestre ging op pad met de Rolls Royce van de Amerikaanse vrachtwagens, de Peterbilt.

Tekst en foto’s: Jean-Pierre Sylvestre

Op maandag 16 juni om vijf uur ’s ochtends sta ik langs de weg in Val Belair, een voorstad van Québec. Twee dagen tevoren heeft Jocelyn Noreau, een Canadese vrachtwagenchauffeur me gebeld om me voor te bereiden op een tocht van tienduizend kilometer. De tocht gaat naar Los Angeles.

De zon is nog niet op en het is koud, al vriest het niet. Maar de sneeuw is nog vers na drie sneeuwstormen in het afgelopen weekeinde. Voor het typisch Québecse houten huis van Jocelyn staat een enorme gele Peterbilt te ronken, alle lichten aan. Jocelyn wacht al op me. Hij stapt uit en helpt me mijn spullen op te bergen in de slaapcabine, achter de stoelen. De semi-trailer is nog niet aangekoppeld. We moeten die nu gaan ophalen bij een dispatcher in een andere wijk van Québec. De enorme trailer van zeventien meter lang bevat 49 kisten met houten meubelen ‘Made in Canada’. De vrachtwagen rijdt door Québec, steekt de Saint-Laurent rivier over en gaat op weg naar het westen, in de richting van Montréal.

Joycelyn is nu veertig jaar oud. Hij begon al op zijn twintigste als chauffeur. Eerst werkte hij voor een transportonderneming, daarna kocht hij zelf een tweedehands Ford Cabeover (wat zoveel wil zeggen als een cabine die boven de motor zit) waarmee hij een jaar heeft gereden. Hij vertelt dat het ding voortdurend kapot ging en hij moest hem al weer snel verkopen: ‘anders verkocht hij mij!’. Na drie jaar in een zittende baan, realiseerde Joycelyn dat dergelijk werk niets voor hem was. ‘Het was een kinderdroom om een vrachtauto dwars door de Verenigde Staten te rijden’, zegt Joycelyn. ‘Het chauffeursberoep is een ziekte, een ware drug. Als je eenmaal bent gegrepen, laat het je niet meer los. De diesel en de vrijheidszin miste ik achter mijn bureau.’

Na twee jaar rijden met een kleine vrachtauto, werd hij gedurende tien jaar buschauffeur. In 1995 richtte hij zijn eigen transportonderneming op: Les Entreprises Joce. Hij heeft twee truck tractors gekocht (het voorste gedeelte, waarachter de opleggers worden gekoppeld) van het merk Peterbilt 379, model California - dat onderscheidt zich door zijn lange motorkap. Zijn jongere broer Doris is ook chauffeur geworden. ‘In mijn familie zijn we met drie broers en alles drie zijn we truckers’, legt Joycelyn uit.

Als chauffeur heeft Joycelyn 48 Amerikaanse staten doorkruist (Hawaii en Alaska ontbreken nog) en alle Canadese provincies, afgezien van de Northwest Territories en de Yukon. Hij is vijftig weken per jaar op de weg en legt jaarlijks tussen de 225.000 en 256.000 kilometer af. Ieder jaar maakt hij een stuk of twaalf reizen tussen Québec en Californië (een traject van twee weken) en de rest van de tijd gaat hij naar zuidelijke en oostelijke staten (één week).

De auto is zijn leven! Een paar jaar geleden had Joycelyn een geniaal idee. Tijdens zijn busreizen kwam hij in aanraking met talrijke Europeanen die trucks van binnen wilden zien of wel eens wilden meereizen. Vandaar dat hij in 1995 begon met het organiseren van reizen per vrachtauto voor Europeanen. Hij richtte een onderneming op die heet ‘Cavale L’Amerique en Poids Lourds’ die tochten aanbiedt van een week in Canada en vooral in de Verenigde Staten.

De Peterbilt 379 is comfortabel. De slaapcabine heeft twee boven elkaar gelegen bedden. ‘De Peterbilt is de crème de la crème van de trucks’, zegt Joycelyn. ‘Het is het equivalent van een Rolls Royce onder de vrachtwagens’. De Peterbilts zijn in de VS de koningen van de weg, de mooiste, de duurste ... Ze zijn de prestigieuze Petes. Van voren gezien, hebben ze een dreigende uitstraling met hun gril. Ze doen denken aan een grote haai die klaar staat om welk ander voertuig dat in de buurt komt, te bespringen. Met zijn 490 paardekrachten en zes cylinders, kan de Peterbilt met gemak 160 kilometer per uur halen als hij zonder trailer rijdt. Hij slorpt ongeveer 47 liter diesel per honderd kilometer. Met zijn twee tanks van in totaal zeshonderd liter, kan hij 2500 kilometer in één ruk afleggen. Olie moet iedere 23.000 kilometer ververst worden en dan gaat er meteen 35 liter door.

Tegen de middag komen we aan in Montréal om de trailer te vervangen. Later die dag gaan we op weg naar Ontario, richting Amerikaanse grens. We stoppen in Kingston voor het avondeten. We ontmoeten Stephane en Guy (ook wel Commando genoemd) die ook voor dezelfde dispatcher als Joycelyn werken. Ze zijn beiden ook op weg naar de VS, de één naar Nieuw Mexico en de andere ook naar Los Angeles. We zullen samen reizen. Sommige truckers houden ervan om samen op pad te gaan. Ze houden contact via de cb (citizen band) en helpen en steunen elkaar, bijvoorbeeld door te waarschuwen voor de aanwezigheid van een ‘Cop’ of een ‘Spooky Bear’, een ‘Evin Kennivel’ of ‘alligators’ aan de rand van de highway. Truckers hebben hun eigen taaltje. Om te beginnen hebben ze bijna allemaal bijnamen: Joce, Bandit, Commando, Diablo, Fiston, Big Bear Sam, Bronco Joe en zo verder. Als ze elkaar niet kennen en ze komen een andere vrachtauto tegen uit dezelfde provincie of staat, roepen ze elkaar op met de naam van de firma die op de trailer staat. En als ze elkaar al lang kennen, dan gaat het eenvoudigweg met de bijnaam.

Het argot van de Noordamerikaanse chauffeurs zit natuurlijk vol technische termen. Een ‘cop’ is een politieman in het algemeen, terwijl een ‘Spoky Bear’ verwijst naar agenten in de westelijke staten van de VS waar de agenten grote hoeden dragen - de naam verwijst naar Smokey the Bear, die met zijn cowboy hoed op waarschuwt voor brandgevaar in Amerikaanse nationale parken. Een ‘Evin Kennivel’ is een motoragent die vooral in de zuidwestelijke staten voorkomen. Kennivel was een beroemde Amerikaanse stuntman die enorme sprongen maakte met zijn motor. Hij had ooit het plan om de Grand Canyon over te springen. ‘Alligators’ zijn de obsessie van Amerikaanse truckers. Het is het uiteengerafelde restmateriaal van klapbanden dat zich op de weg bevindt. Ze zijn onbuigzaam en slaan om te wielen om daarna meteen terug te klappen tegen de carrosserie of het chroomwerk. Vervolgens breken ze de buizen voor de diesel, de luchtdruk, slaan gaten in de tanks en scheuren spatborden af.

De citizens band is onmisbaar voor de vrachtwagenchauffeur. Een auto zonder cb is geen truck. Dank zij de apparatuur kunnen ze elkaar waarschuwen voor radarcontroles en andere politieactiviteiten, want ze hebben lak aan snelheidscontroles omdat ze meestal sneller rijden dan de gewone auto’s. Ze hebben ook altijd meer haast. Ze informeren elkaar ook over de toestand van de weg, het weer en of het ‘kippenhok’ geopend is, het weegstation. Er wordt ook gewoon gebabbeld, soms sentimenteel en soms filosofisch. In een aantal opzichten zijn de truckers de moderne cowboys, de nieuwe helden van de mythologie van de vrijheid en zelfstandigheid.

Tegen middernacht komen we aan bij Port Huron, de grens tussen Ontario en Michigan. De drie chauffeurs stappen uit en gaan naar het douanekantoor en belastingmakelaars. Gedurende een uur lopen ze heen en weer tussen beide, mopperend over de bureaucratie die zoveel tijd kost. Om een uur of vier verliezen we de andere chauffeurs uit het oog en komen we bij een depot in Pontiac waar Jocelyn zestien kisten moet afleveren. Hij parkeert zijn auto op de wachtplaats van het bedrijf en we gaan onder zeil om de gemiste slaap in te halen. De volgende ochtend, vanaf half acht, wordt het spul uitgeladen en gaan we naar een andere opslagplaats in Pontiac. In de loop van die ochtend hebben we 27 kisten van Pontiac naar Grand Rapids gebracht. We lunchen en dineren tegelijkertijd om een uur zes ’s avonds. ‘Het leven van een chauffeur in Noord-Amerika is behoorlijk hard’, zegt Jocelyn. ‘Je loopt voortdurend tegen de tijd te vechten en we hebben maar vier uur per dag over om te slapen - en geen tijd om te eten. Als we eten, moet het snel, snel, snel en slecht. Onze maaltijden beperken zich tot cheeseburgers, hamburgers, Club Sandwich en patat. Als je niet eet, ondermijn je je eigen gezondheid. Het is een vermoeiend leven. Een chauffeur werkt 24 uur per dag. Je moet ervan houden om het te doen. Als ik zestig ben zal ik eruit zien als tachtig. En we worden er niet eens erg goed voor betaald.’ Joce krijgt een percentage van de vrachtkosten, ongeveer tachtig procent van wat op de rekening staat.

We doorkruisen Indiana en Illinois. Ten zuiden van Chicago pakken we de 55 South in de richting van St. Louis. Om een uur of tien die avond besluit Jocelyn te stoppen bij een parkeerplaats waar het vol vrachtauto’s staat. De auto van Commando is er ook. Hij slaapt en als wij die ochtend om zeven uur opstaan, is hij al weg. We gaan verder en steken de Mississippi over, naar de hoofdstad van Missouri, St. Louis. Hier staat de grote ark, een symbool voor de reizigers naar het westen, de Gateway to the west. We verlaten de 55 en nemen de 44 South naar Oklahoma City.

‘Vanaf Missouri worden we de Kings of the Route’, zegt Jocelyn tegen me. De vrachtauto’s zijn hier de onbetwiste heersers van het asfalt. Ze rijden in file, halen in en laten de langzamere auto’s trillen. In Missouri, Oklahoma en New Mexico mogen ze respectievelijk 112, 120 en 112 per uur rijden. In Texas, Arizona, Californië, Michigan en Illinois houdt men vast aan 55 mijl, zo’n 90 kilometer per uur - veel te langzaam voor een truck met zoveel paardekrachten.

Rammelend van de honger stoppen we bij een Truck Stop in Sullivan. Het is een Flying G., een keten van stops die over de hele route verspreid liggen. Deze plaatsen zijn essentieel in het leven van de trucker. Hier eet hij, vult hij de tank, winkelt, neemt een douche, doet de was, stuurt een fax, bezoekt de tandarts en wat al niet. Bovenal, hij rust. Op bepaalde plaatsen, zoals de Iowa 80, in Walcott, Iowa - de grootste van Amerika met zevenhonderd parkeerplaatsen - kan men alles doen. In andere is het dienstenniveau beperkter. Maar de warmte van de ontvangst compenseert dat, want dit is het tweede thuis van de chauffeur (de cabine van zijn truck is het eerste).

De parking staat vol met tweehonderd vrachtauto’s. Alle merken zijn vertegenwoordigd. De gril en de motorkappen laten trots de logo’s zien. er zijn Pete’s, Kenworth’s en Mack’s. De White Freightliner’s hebben hun naam in chroom op een zwarte ondergrond en hun gril bestaat uit staven. Maar ook zien we Volvo’s White GMC’s, en International’s met hun twee driehoeken. Truck stops kennen grote ketens zoals Petro, T.A. (Truck Stops of America), 76, Pilot, Posselman en Flying G. Travel Plaza. Alleen al de 76’s en de T.A., die elkaar hebben overgenomen, hebben 130 vestigingen. Joce stopt bijna altijd bij een Flying G. Hij is er lid van. Hij vult er iedere keer zijn tank op, waardoor hij gratis een douche mag nemen. En die is individueel en schoon. De ruimte die toegang geeft tot de douches is speciaal, en lijkt op de vertrekhal van een vliegveld. Je krijgt er een kaartje met je nummer voor je douche en een geheime code om de deur te openen. Verderop geeft een scherm aan welk nummer aan de beurt is. Elke truck stop heeft een of meer restaurants. Je kunt er ook tijdschriften krijgen die gespecialiseerd zijn in trucking zoals On the Road, Highway News, Trucking Digest en dergelijke.

Ook zijn er gratis bijbels, en op sommige stops wordt op zondag de mis opgedragen in een trailer die tot kapel is omgebouwd. Veel truckers zijn gelovig en een aantal laat dat opzichtig zien op hun auto met stickers als ‘Jesus is Lord’ of ‘Safety is of the Lord’.

Als je aankomt in een restaurant zet een serveerster je in een roken of niet-roken gedeelte. Het is de gewone dienstverlening die je overal vindt in Amerikaanse restaurants. Op één klein detail na. iedere tafel heeft een eigen telefoon of men verschaft een draagbaar toestel. Veel truckers die eten zijn ook aan de telefoon. Ze houden contact met hun gezin terwijl ze hun patat met ketchup naar binnen werken. Het is de tijd van ontspanning. Commando komt bij ons zitten.

Om tien uur ’s ochtends gaan we verder. We passeren Oklahoma City en rijden na pal west over de 40. We doorkruisen Oklahoma, de panhandle van Texas en komen in New Mexico. Langzaam verandert het landschap. We staan aan de grens van de woestijn. Die avond parkeren we de auto bij een Flying G. net buiten Albuquerque.

De volgende ochtend om zeven uur gaan we ontbijten. We treffen auto’s aan met een laagje sneeuw. Ze zijn net aangekomen uit Illinois en Oklahoma. Voor het weekeinde is weer een stevige sneeuwstorm voorspelt in het gehele land. Sneeuw is de schrik van de chauffeurs. Ieder jaar verliezen ze hele dagen vanwege de sneeuw. Begin februari van dit jaar zaten chauffeurs zeven dagen vast vanwege een sneeuwstorm die Illinois, Montana en Nebraska compleet in zijn greep had. Ik kwam een chauffeur tegen die vertelde dat hij zestien uur had vastgezeten op de 94 in Montana. En op de 80, ten zuiden van Chicago, waren letterlijk honderden vrachtwagens in de problemen gekomen door de sneeuw. Voor alle vrachtwagenchauffeurs is de winter een verschrikking maar in de Verenigde Staten kan het weer vaak absurde trekken aannemen.

Om acht uur verlaten we Albuquerque in de richting van Arizona. Commanda slaat af in de richting van een of andere gat middenin de woestijn. We zijn nu in het westen, het koninkrijk van de vrachtauto’s. Maar de paradox is dat het autoverkeer hier behoorlijk gereguleerd is. Bij de belangrijkste entrees van de staten vindt men nog weegstations. De vrachtauto’s moeten er stoppen. De beambten en de politie zijn behoorlijk veeleisend. Een auto als de Peterbilt weegt 9,3 ton voor de trekker en 6,3 ton voor de lege oplegger. In het algemeen geldt dat het totale gewicht van truck en lading niet hoger mag zijn dan 3600 ton. ‘Om chauffeur te kunnen zijn in Amerika’, zegt Jocelyn, ‘moet je de regels kennen van het land en elke staat en provincie waar je doorkomt. Je moet ook overal transportvergunningen hebben. Het is een enorm werk om het allemaal in orde te hebben.’

Al die paperassen worden afgewerkt tijdens de rustpauzes van de chauffeurs, dat wil zeggen tijdens de dagen aan het eind van ritten als ze bij hun gezin zijn. De ‘Spoky Bears’ kunnen elke vrachtauto uitkiezen voor een nauwkeurig onderzoek. Men controleert dan het mechanisch gedeelte, kijkt naar de staat van de motor, de remmen, het chassis en bestudeert de documenten van de chauffeur en zijn lading.

De Amerikaanse chauffeur moet twee documenten zelf bijhouden: de boordtafel en het logboek. Dit laatste is een soort dagboek waar alle informatie in staat over het werk dat de chauffeur heeft verricht. Hij moet er in de vorm van diagrammen zijn uren in zetten: rijtijden, slaap, andere zaken. ‘Als vuistregel kun je stellen’, zegt Jocelyn, ‘dat je tien uur op de weg mag zijn in de VS en dertien uur in Canada.’ maar houden ze zich aan die reglementen? Zowel klanten als expediteurs jagen de chauffeurs vaak op.

Na het weegstation rijden we enkele honderden kilometers door de woestijn van Arizona, door het land van de Apachen. We passeren Petrified Forest en komen bij een stad die is omringd door sparren en coniferen - een oase in de woestijn. Het is Flagstaff, waar Jocelyn van route verandert: we verlaten de 40 en nemen de 17 South in de richting van Phoenix. De vegetatie verandert weer en nu zijn cactussen van meer dan vijf meter hoog die het beeld domineren.

In de voorsteden van Phoenix maken we de enige levering op deze route, in Carefree. Het is een stadje vol gepensioneerden. De huizen zijn gegroepeerd in woondorpen die sterk bewaakt worden. Om er binnen te komen moet je een wachtwoord geven. Het lijkt wel of de bejaarden van Amerika opdracht gekregen hebben om hun laatste dagen te slijten onder de zon van Arizona. Zelfs de politieagenten zijn oudere heren - een bizar gezicht om een grijze zeventiger in een patrouillewagen te zien zitten. We moeten drie kisten afleveren bij een winkelcentrum. Maar de parking is te klein voor de vrachtauto. Komt vaak voor in het zuidwesten, zegt Jocelyn. Maar hij is niet voor niets een topchauffeur: hij kan zijn auto overal kwijt, al is het op een zakdoekje.

Na Carefree komen we op de 10 terecht, de grote Interstate die Amerika doorsnijdt van Jacksonville in Florida naar Los Angeles. Het is de laatste rechte lijn tot aan een Californische stad. We stoppen vlak voor de staatsgrens bij een truck stop om te slapen. De volgende ochtend stoppen we vroeg bij het weegstation - maar hier zie je nog geen verschil tussen de woestijn van Arizona en die van Californië.

Bij Palm Springs komen we langs een veld windmolens: er zijn er zo’n duizend die als een leger gegroepeerd staan. In Cabazon stopt Jocelyn bij een restaurant om te lunchen. Het heet Whell Inn, en onderscheidt zich omdat het wordt beschermd door twee grote dinosaurussen. Dinny en Rex zijn de bekendste road side attraction in dit stukje Californië. De chauffeurs zijn niet onder de indruk. ‘De dinosaurussen? Natuurlijk kennen we ze wel, en weten er evenveel van als van de motor van onze auto’s’, antwoordt William Gibbs ironisch. Gibbs, een Californische trucker, legt de route tussen LA en Tucson, Arizona, een paar keer per week af.

Rond een uur of twaalf komen we eindelijk aan in Ontario, een stad op ongeveer vijftig kilometer van het centrum van Los Angeles. Daar raken we de laatste negentien kisten kwijt. Jocelyn belt met zijn lader in Québec of hij een nieuwe lading moet meenemen op de terugreis. Hij moet zeven vrachten ophalen in de regio LA. Het is Vrijdag en hij moet snel werken anders zit hij het hele weekend vast op de truck stop van Ontario. Je kunt met een truck niet de stad ingaan, dat is veel te gevaarlijk. Van één uur tot middernacht rijden we bijna driehonderd kilometer om de zeven vrachten te verzamelen. In plaats van Canadese meubelen heeft Jocelyn nu aan boord: tien pallets met kogellagers, 65 rollen stof, drie pallets met gerecyclede golfballen, twee pallets met diverse auto-onderdelen, vijf pallets parafine en 124 kisten linnen.

Op zaterdagochtend staat de truck stop vol met auto’s. Veel chauffeurs hebben besloten hier te rusten, de was te doen en wat aan de motor te rommelen. Om vijf uur ’s ochtends staat er al een rij voor de wasstraat waar voor 25 dollar Mexicaanse werkers de auto schoonmaken in dertig minuten. In Californië moet een vrachtauto ‘schoon’ zijn. Ze weten dat politiemensen de neiging hebben vuile trucks eerder te laten stoppen dan schone. Maar de auto is ook de trots van zijn eigenaar. Het chroom is belangrijk, men poetst het, wrijft het. Hoe meer chroom, hoe meer lichten, hoe beter. Sommige chauffeurs geven hun laatste cent uit om hun truck aan te kleden. Ze hebben overal chroom.

Jocelyn besluit om zondag al op weg te gaan in de richting van Canada. Hij heeft een route geplanned naar Nevada, en dan Salt Lake City in Utah. Daarna wordt het de 80, de grote Interstate die loopt van San Francisco naar New York. Ik houd het voor gezien en wuif hem na vanaf de truck stop in Ontario. Schoon en uitgerust zit Jocelyn achter het stuur. Op naar de volgende vierduizend kilometer.


top.gif (80 bytes) Terug naar boven