Artiekl over Montreal, de meest Canades stad van Canada.

VISITCANADA.NL

 

 

Let op: de pagina's van deze site zijn verplaatst.

Klik op de foto voor de link 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

POLITIEK DAGBOEK | HOME |BULLETINBOARD | SAMENLEVING





 



 

Montréal

De enige echt Canadese stad

extra informatie montreal


In Montréal spreekt men Frans, denkt men Engels en leeft men Canadees. Het is een stad zonder gelijke, met een eigen karakter, waarin de menging van de Franse en Engelse component van de Canada misschien niet altijd even vredig is, maar wel vollediger dan waar dan ook. Petit restaurant au coin en Montreal

Frans Verhagen

at onthoudt je van een stad en wat zegt dat? Twee bakens staan overeind in een zee van herinneringen aan Montréal : parkeermeters aan de binnenkant van de stoep en restaurants met een bordje Apportez votre vin. Triviale zaken, zeker, maar ze zeggen veel over Canada’s tweede stad, om te beginnen al wat er belangrijk is in het leven: het weer en la vie française.

De winters in Montréal kunnen behoorlijk streng zijn, met veel sneeuw en soms alles verlammende ijsstormen, zoals de afgelopen winter. Dat is nu eenmaal een gegeven en dus hebben Montréal ers overal ijsbanen, gaan ze als het maar even kan langlaufen, en hebben ze een deel van hun stadscentrum tochtvrij onder de grond gestopt. En de parkeermeters, maar allicht, die staan zo niet in de weg bij het sneeuwruimen.

De wijn die deel uitmaakt van het Franse-stijl leven in Montréal is in de provincie Quebec een overheidsmonopolie: ook restaurateurs en winkeliers moeten daar inkopen. Veel goedkope en middenklasse restaurants laten het er daarom maar bij, en nodigen bezoekers uit hun eigen wijn mee temontreal01.JPG (18105 bytes) brengen: Apportez votre vin! Zo stopt op zaterdagavond menig Montréal er bij de drankwinkel voordat hij zich met zijn fles onder de arm begeeft naar één van de vijfduizend restaurants. De boodschap: wijn en restaurants zijn belangrijk in het dagelijks leven, graag in grote hoeveelheden, de overheid is hier prominent aanwezig, en de burger trekt zich daar weinig of niets van aan.

Een praktische instelling, het omgaan met het dagelijks leven zoals het zich voordoet, is, denk ik, typerend voor Montréal . En dat deze triviale zaken boven komen drijven, komt misschien ook wel omdat Montréal geen stad is waar je heengaat vanwege haar monumenten of specifieke bestemmingen, al zijn die er wel, maar vanwege een manier van leven. Daarin onderscheidt de stad zich. Montréal is geen Frans stad, zoals Quebec-stad, geen Amerikaanse stad, zoals Boston of Philadelphia. Nee, Montréal is een stad sui generis, enig in zijn soort. Misschien is Montréal de enige echt Canadese stad: een plaats waar men Frans spreekt, Engels denkt en Canadees leeft.

Vooruitgeschoven post

Montréal ligt op een croissantvormig eiland in een bocht van de Saint-Laurent rivier, met als visuele oogtrekker de Mont Royal, een heuvel van 230 meter. Na Toronto is Montréal de tweede stad van Canada, al is het belangrijker voor het zelfbeeld dat ze na Parijs de grootste Franstalige stad ter wereld is. Montréal ziet zichzelf graag als een vooruitgeschoven post van de Franse cultuur en de Fransen zijn niet te beroerd om dit idee te steunen. En onmiskenbaar heeft Montréal meer gemeen met haar Europese moederstad dan met Vancouver, het in vogelvlucht even ver weg liggende Canadese broertje aan de westkust.

De Fransheid van Montréal is onontkommbaar, maar van een andere orde dan die van Quebec-stad, hogerop aan de Saint-Laurent (zie Amerika 9801). Quebec is Frans, Montréal is uniek. Zestig procent van de bevolking is Franstalig, twaalf procent is Engelstalig en de rest komt uit de hele wereld. De invloed van Engelstaligen, hun jaren van dominantie, de aanwezigheid van immigranten: Montréal s aard is moeilijk vast te pinnen.

Je kunt het een gespleten identiteit noemen, maar ik zie het liever als een eigen identiteit, iets helemaal anders. In Montréal is het mogelijk, zoals tweetalige kinderen dat doen, om in het Frans te praten en in het Engels antwoord te krijgen, of omgekeerd, zonder dat het problemen oplevert. De tweetaligheid is als het ware een derde taal. En al zal de gemiddelde Engelsspreker eerder bij Schwartz een broodje pastrami halen terwijl de Franstalige Montréal er Vietnamees eet en in het café zit, beide groepen komen voldoende bij elkaars gelegenheden over de vloer om vast te stellen dat de culturele verschillen ook té sterk kunnen worden aangezet.

Eerste nederzettingen

Lang voordat de Europeanen hier voet aan wal zetten, woonden op het Isle de Montréal Mowhawk indianen. Ontdekkingsreiziger Jacques Cartier trof hen er aan in 1535, op zijn zoektocht naar goud en een noordelijke doorgang naar China. De stroomversnellingen op deze plek in de Saint-Laurent rivier, helden Cartier tegen, en in een jolige bui doopte hij ze Les Rapides de Lachine. Ook berg kreeg een naam. De legende wil dat Cartier het uitzicht tot zich nam en zei: ‘C’est un mont royal’. Minder prozaïsch maar waarschijnlijker is dat hij de berg vernoemde naar het stadje Montreale op Sicilië, woonplaats van een beschermheer.

Geen goud en geen China: voor de Fransen was hier aanvankelijk weinig te halen. Pas in 1642 kwamen ze serieus terug om de kolonie Ville-Marie te stichten, nu met het doel om bekeerlingen te vinden waar die in de reformatie in Europa moeilijk te vinden waren. Die opdracht viel toe aan Paul de Chomedey, Sieur de Maissonneuve, maar hij ontmoette weinig animo onder de Iroquois. Integendeel, ze voerden voortdurend strijd met de Fransen, in wisselende allianties met diverse Europese staten die hier bontbelangen hadden. Pas in 1701 werd het rustig, na een vredesverdrag met de indianen.

Vieux-Montréal is wat resteert van de eerste nederzettingen en dat is alles bij elkaar nog aardig wat. Vroeger liep Vieux-Montréal langs het water, voordat er de nu van de verloedering geredde pieren en havenhoofden werden aangelegd. Cartier kwam aan land bij het Point-à-Callière en het was ook daar dat aan de Place d’Youville de eerste nederzettingen werden gesticht. Op de kleineMusée d’Archéologie et d’Histoire de Montréal driehoek waar de later drooggelegde Saint-Pierre rivier in de Saint-Laurent stroomde, staat nu het Musée d’Archéologie et d’Histoire de Montréal.

Alleen al het prachtige gebouw is een apart bezoek waard, met zijn open structuren, fantasievol materiaalgebruik en de toren met zijn uitzicht over het in parkvorm herstelde havengebied en de eilanden in de Saint-Laurent. Maar ik zou de tentoonstelling tekort doen als alleen het gebouw tot enthousiasme leidde. De introductie voorstelling in de hal van Pointe-a-Calliere is verrassend origineel, een soort Monthy Python's maar dan als historische educatief project. Vandaar daalt de bezoekeUitzicht vanaf de torenr af, want het museum is letterlijk gebouwd bovenop diverse opgravingen. Maquettes en vitrines geven informatie over wat hier eens was te vinden, en onder de weg door wandelt u naar het Douane Huis, waar de geschiedenis van Montréal in detail verteld wordt, op zo’n manier dat het geen seconde verveelt.

Achter deze musea ligt de Place d’Youville, genoemd naar de vrouw die in 1737 de Grijze Nonnen stichtte, een lekenorde om zieken en bejaarden te helpen. De huizen rondom het plein weerspiegelen de geschiedenis van de stad, van het hospitaal van de nonnen tot de pakhuizen uit de negentiende, allemaal rond een sfeervol pleintje.

Minder oud is het bakstenen gebouw uit 1903, de voormalige kazerne van de brandweer, dat in ‘Nederlandse barokke stijl’ is opgetrokken. Nu huist er het Centre d’Histoire de Montréal. Nog meer geschiedenis, maar opnieuw op eenVieux Montreal bewonderenswaardige inventieve manier - Canadezen hebben iets met musea. Wij bezochten op dezelfde dag ook nog het Montréal Musée des Beaux Arts, waar we twee mooie tijdelijke tentoonstellingen, een over Henri Cartier Bresson en een over Asterix, speciaal ingericht voor kinderen. Bovendien mag de permanente collectie er zijn, en is het gebouw, vooral het nieuwe gedeelte, opnieuw van overweldigende schoonheid. Het is de moeite (en het geld) waard om uw museumbezoek een beetje te plannen en dan een museum pass te nemen. Een één-dags paspoort voor een gezin (twee volwassenen en twee kinderen) kost 30 dollar (verdeelt u het over drie dagen, en dat kan gemakkelijk, er zijn negentien musea onderdeel van dit pakket), dan kost het 60 dollar. Dat lijken hele bedragen, maar wij waren in die drie musea alleen al op één dag ruim over de dertig dollar kwijtgeweest. Als u ook bezoeken brengt aan de Biosphere, het Musee du Chateau Ramezay, het Stewart Museum en het McCord Museum of Canadian History, dan komt het helemaal voordelig uit.

De eerste Europese bezoeker van deze eilanden was ook de naamgever van het populairste plein van Vieux-Montréal , de Place Jacques Cartier. Het is een geleidelijk oplopende brede straat met bloemperken in het midden, die begint waar vroeger de kade was en oploopt naar het Hotel de Ville, het stadhuis. Langs beide zijden liggen cafés en restaurants, met terassen - de flaneergrond van de stad.

Bovenaan het plein, naast het stadhuis, staat op een zuil het standbeeld van admiraal Nelson, een herinnering aan demontrealoldtown.JPG (13020 bytes) overwinning van de Engelsen bij Trafalgar. Dit niet al te subtiele symbool van Engelse dominantie werd natuurlijk het verzamelpunt voor Francophone protesten. Maar de Fransen compenseerden dat weer in 1967. Toen sprak president de Gaulle vanaf het balkon dat uitziet over het beeld de historische woorden ‘Vive la Quebec libre’, waarmee hij de lont stak in het kruitvat van de onafhankelijkheidsstrijd.

Rue St Paul, die Place d’Youville en Place Jacques Cartier verbindt, is een van de leukste straatjes van Montréal, met huizen die nauwelijks zijn veranderd sinds de negentiende eeuw. Alleen worden ze nu gebruikt al restaurant, café of trendy winkeltje. ’s Avonds is het hier druk met toeristen die wachten op een plekje in de restaurants, die overigens niet de beste zijn van Montréal - daarvoor kunt u beter richting Rue St-Denis gaan.

Aan de andere kant van Jacques’ plein is de Marché Bonsecours interessant. Dit marktgebouw met zijn kolommenfacade werd lange tijd gebruikt als kantoorgebouw, maar is nu herrezen als een verzamelgebouw voor leuke, creatieve winkels op de begane grond en een tentoonstellingsgebouw op de eerste verdieping. Ernaast staat de Chapelle de Notre-Dame-de-Bonsécours, oftewel de Zeemanskerk. De uitgestrekte armen van het Mariabeeld op de toren werden een bekend punt voor schepen die de Saint-Laurent op en afvoeren. Ertegenover staat het mooiste voorbeeld in Montréal van de traditionele Franse architectuur, het Maison du Calvet. Chateau Ramezay, vlak bij het stadhuis, is de beste plek om een vroeg achttiende eeuws gebouw van binnen te bekijken.

Rond 1800 bereikte de bonthandel in Monteal zijn hoogtepunt, vooral profiterend van de rivaliteit tussen de verschillende handelaren. Toen die in 1821 een pact sloten, gingen steeds meer huiden direct via de Hudson Bay naar Europa. Maar het geld in Montréal was toen al verdiend, en werd nu in andere activiteiten gestopt. Zo werd de stad steeds meer een financieel centrum. Ook kwam er een enorme toestroom van Ierse en Schotse immigranten op gang, die de Engelsheid van de stad versterkten. Rond 1840 werd het Lachine Canal dat in 1821 dwars door de stad was gegraven om de stroomversnellingen te omzeilen, verbreed. Een kanalensysteem verbond de Saint-Laurent met de grote meren en het enorme achterland van het Midden Westen en via Lake Champlain kwam ook een verbinding met New York tot stand. De spoorwegen brachten de volgende golf van investeringen. Montréal groeide en bloeide.

De Basilique Notre-Dame, aan de Place de Armes, toen het financiële centrum van de stad, was een van de resultaten van al dit verdiende geld. De enormeBasilque Notre Dame kerk werd in 1829 voltooid. Het neogothische gebouw heeft twee torens, waarin een gigantische klok hangt, die tot 25 kilometer ver gehoord zou kunnen worden. Alle Engelse dominantie ten spijt, was deze kerk in die tijd toch een stevig gebaar van de katholieke elite in de stad. De kerk met zijn twee rijen balkonnen aan beide zijden, kan maar liefst 10.000 gelovigen bevatten.

Het hemelsblauwe interieur, waarvan de diepe kleur nog wordt versterkt door het invallend licht van de drie ronde, rozet-ramen in het dak en het flikkeren van duizenden lichtjes, werd ontworpen door de architect Victor Bourgeau uit Montréal. Hij liet zich sterk inspireren door provinciale katholieke architectuur en het geheel heeft iets kermisachtigs, kleurrijker en fascinerender dan in de meeste kerken. Als je binnenkomt domineren de witte standbeelden in de blauwe achtergrond op het priesterkoor. De glas-in-lood ramen geven een beeld van de stichting van Ville-Marie.

De Rue St Jacques, aan de andere kant van de Place d’Armes, was ooit de Wall Street van Canada. De gebouwen zijn nog steeds imposant, maar sinds de taalproblemen veel grote bedrijven uit Montréal wegjoegen, is de activiteit hier toch wat minder geworden.

Al in 1837 borrelden de eerste serieuze problemen op. Toen kwamen een aantal leidende Franscanadezen in opstand tegen de Britse overheersing. Een door Londen benoemde gouverneur en zijn raad bestuurde de kolonie. De gekozen vergadering had geen invloed. De rebellie van de Franse elite leidde er uiteindelijk toe dat de Britten van Canada een Dominion maakten, in 1867. Daarin was Montréal, in eerste instantie de belangrijkste en rijkste stad. Hier vond de handel plaats, de financiering en de eerst industrialisering. Door vooral de industriële ontwikkeling kwamen veel Franscanadezen van het platteland naar de stad, waardoor de Fransheid van Montréal werd versterkt.

De katholieke kerk had de neiging om dit soort ontwikkelingen met een flinke kerk te onderstrepen, en dat verklaart de Basilique-Cathédrale-Marie-Reine-du-Monde aan de Boulevard René Levesque, aan de rand van de moderne downtown. De kerk werd niet voor niets aanbesteed in 1870, en hij stond niet voor niets in een Engels gedeelte van de stad. En evenmin was het toevallig dat het ding gemodelleerd werd naar de Sint Pieter, zij op een schaal van één kwart. Het was de manier waarop de bisschop zei: hé, wij zijn er ook nog. Hij maakte zijn punt: de basiliek is imposant, met zijn Griekse zuilen, de enorme fries met zijn rij standbeelden en de rijke ornamentatie van het geheel. Van binnen oogt de kerk redelijk sober, zeker vergeleken met het kleurenpalet van de Notre-Dame in Vieux-Montréal.

Nu we toch met kerken bezig zijn: de volgende stap in Montréal’s vertoon aan de natie was het Oratoire Saint-Joseph, het meest wonderlijke gebouw van de stad. Naar deze gigantische basiliek op de westflanken van Mont Royal komen dagelijks duizenden pelgrims; de echt devoten op hun knieëen via een langeOratorie Saint Joseph trap, de minder geïnspireerden gewoon te voet of met de lift. Gebed voor Saint Joseph, zou heilzaam werken op zieken en invaliden. Dat althans predikte broeder André, die hier in 1904 een kapelletje bouwde ter ere van de patroonheilige van Canada. In korte tijd bouwde André een reputatie op als ‘de wonderman van Montréal’. Dankbare patiënten doneerden zoveel geld dat hij in 1924 kon beginnen met de bouw van de granieten suikertaart die er nu staat.

Om niet uit de toon te vallen claimt het Oratoire de grootste koepel ter wereld, na die van de Sint Pieter. En groot, dat is het achthoekig geval van groen koper bovenop de structuur die wel iets heeft van de Sacre Coeur. De constructie lag lange tijd stil toen tijdens de depressie het geld op was. In 1936 maakte deHier kruipen de pelgrims omhoog. befaamde Benedictijnse architect Dom Paul Bellot het geheel af, door bijvoorbeeld beton te kiezen in plaats van graniet voor de afwerking van de koepel. Pas in 1967 was de kerk klaar.

Van binnen is het Oratoire verrassend streng ingericht en imponeert het vooral door volume. Broeder André wordt in ere gehouden in een klein museum in de kelder, terwijl buiten de kerk zijn oude kapelletje nog te bezichtigen is. Maar vooral interessant is het uitzicht over noord Montréal en de Laurentian Mountains vanaf het enorme teras voor de kerk.

Le Grand O

Tot aan de grote depressie groeide Montréal ontstuimig. De stad stond tijdens de Amerikaanse drooglegging zelfs bekend als Sin City, omdat er vanuit de provincie Quebec danig werd gesmokkeld naar de VS, onder ander via de Airline, de weg door de ontoegankelijke wouden van Maine (zie Amerika 9703). Maar de jaren dertig kwamen hard aan. De werkloosheid was enorm en de stad stond vol onafgemaakte bouwwerken. Pas in de jaren vijftig kwam men er aan toe om de downtown en het oostelijk deel van Montréal te restaureren en renoveren. De bouw van de Underground begon, er werd een metro aangelegd en in de jaren zestig begon Montréal zich aan de wereld te presenteren.

Hoe anders dan met een wereldtentoonstelling? Steden als Vancouver en Seattle hadden al laten zien dat je daarmee kon scoren, en Montréal deed dat in 1967 nog eens dunnetjes over. De aanleiding was de honderdste verjaardag van de confederatie van Canada. Vijftig miljoen mensen, onder wie die Franse president die het onafhankelijkheidsvuurtje opstookte, bezochten het tentoonstellingsterrein. In 1976 volgden de Olympische Spelen en in 1980 de Floralies International, een bekende bloemententoonstelling.

Als Montréal een stukje herkenbare skyline heeft (afgezien van de berg) dan is het wel het Olympisch stadion met zijn bizarre schuine toren en zijn spinachtige kabels waaraan het dak hangt. Le Grand O noemt men het in Montréal, zowel vanwege de ronde vorm als vanwege de kosten die jarenlang als een loden last op de begroting hebben gedrukt. Het stadion was pas in 1987 helemaal klaar en het tekort is nog steeds niet weggewerkt. Maar daarvoor hebben ze in Montréal dan ook de hoogste hangende toren ter wereld en een systeem om het dak van het stadion te verwijderen dat, niet verrassend, uniek is gebleven. Het uitzicht vanuit de toren is trouwens adembenemend en het stadion mag er zijn.

Tot mijn verbazing bleek de populairste attractie van de stad het Monteal Biodome, ondergebracht in wat de wielerbaan was tijdens de Olympische Spelen (het gebouw heeft de vorm van een ouderwetse wielerhelm, maar was na de spelen in verval geraakt). In het Biodome heeft men vier verschillende ecosystemen ondergebracht: een tropisch oerwoud, een woud zoals het in de Laurentian Mountains is te vinden, het ecosysteem van de Saint-Laurent en de poolwereld. Het is een daverend succes geworden. Vlakbij ligt ook nog de Jardin Botanique, ruim zeventig hectate botanische tuin met meer dan 26.000 plantensoorten in dertig tuinen en tien kassen - voglens mensen die het kunnen weten, een tuin van wereldklasse.

Sous sol

Montréal’s andere monument ligt onder de grond. The Underground werd opgezet in de jaren zestig om mensen te beschermen tegen de klimaatextremen die de stad kunnen treffen, van bijtend koud tot benauwd warm. Het systeem verbindt warenhuizen, hotels, kantoren en openbare gebouwen met brede, open gangen, waardoor je niet het gevoel hebtMontreal sous sol ondergronds te zijn, maar eerder in een nogal wijds opgezette shopping mall. Meestal zet ik dat soort plekken niet op mijn lijst van te bezoeken plaatsen, maar in dit geval moeten we een uitzondering maken.

Eaton, het grootste warenhuis, is het centrum van de Underground, maar er zijn talloze andere plekken om erin of eruit te gaan. Eaton ligt aan Rue St Catherine Ouest, de grote winkelstraat downtown. Winkelen heet hier overigens magasiner, één van die prachtige Franscanadese woorden (het Frans-franse equivalent is faire le shopping). Taal neemt men hier serieus: wat in Frankrijk bekend is als hot dog en popcorn heet hier respectievelijk chien chaud en maïs eclaté. Maar probeert u in deze categorie liever viande fumé oftewel smoked meat, dungesneden gerookte ham, dik op een snee rye, met koolsla en veel mosterd. Recht tegenover de uitgang van Eaton op St Catherine zit onze favoriet: een soort diner in Amerikaanse stijl.

Meerderheid

Het ‘Vive la Quebec libre’ van Charles de Gaulle, waarvan nog altijd onduidelijk is of hij het nu spontaan riep of opzettelijk, zette in 1967 de talenstrijd op scherp. Nog steeds domineerden de Engelstaligen en de Franstaligen konden zich terecht achtergesteld en benadeeld voelen. Begin jaren zeventig, in de ‘revolutionaire’ traditie van die tijd, draaide het uit op geweld, culminerend in de ontvoering van en uiteindelijk moord op een minister, Pierre Laporte. Toenmalig premier Pierre Trudeau riep de noodtoestand uit en haalde de militairen de stad in. De oktober-crisis schudde het land wakker en als Canada anno 1998 druk bezig is metde vraag of het nu bij elkaar moet blijven of niet, en tegen welke prijs, dan begon dat proces in 1970.

Uiteindelijk kwam de Franstalige meerderheid in 1976 via de stembus aan de macht, door de Parti Québecois van René Levesque. De taalwetten en stimuleringsprojecten hebben een hoop achterstand van de Fransen weggenomen, tegen de prijs van een enorme weerzin van de Engelstaligen. Met tienduizenden tegelijk vertrokken ze naar de rest van Canada, hoofdkwartieren van grote ondernemingen en bankinstelligen met zich meenemend. Het voorlopig hoogtepunt was het referendum in 1995, waarbij onafhankelijkheid nipt werd afgestemd. Sindsdien wordt er heftig gemanuoevreerd op weg naar een volgende confrontatie.

De oude wijsheid in Montréal was dat de Boulevard St-Laurent, de Main Street van de stad, de scheidslijn is tussen het Engelse en het Franse deel van de stad. Oud en niet meer zo toepasselijk, zo blijkt. Nog steeds is Oost Montréal overwegend Frans, ook kwa uiterlijk, met de kenmerkende trappen van de appartementen buiten aan de huizen. En ook is Westmount, op de flanken van Mont Royal is nog stevig Engels, zoals Outremont, aan de andere kant van de berg, de dure buurt is voor Fransen, maar verder begint het in de stad lekker door elkaar te lopen. En St-Laurent zelf is de wijk waar immigranten traditioneel hun zaak beginnen, dus daar wordt noch Engels noch Frans gesproken (hoewel de taalwetten immigranten dwingen om Frans te leren).

Maar niet alle tekenen van de oude wijsheid zijn verdwenen. Zo gaan de Engelstalige yuppen uit aan Crescent Street, in de wijk rondom Ogilvy (het Engelse warenhuis) en het Musée des Beaux Arts. De twee blokken met huizen in Victoriaanse stijl zijn vooral ’s zomers uiterst populair, met een veelheid aan terrasjes en balkonnen. De Franse wijk om uit te gaan is de omgeving van Rue St-Denis. Ook hier veel trendy zaken, restaurants en kroegen. Vanwege de universiteiten in de buurt staat dit bekend als Montréal’s Quartier Latin. Vooral het gedeelte tussen Rue Sainte Catherine en Rue Duluth, de restaurant strip, is populair, zowel bij toeristen als bij Montréal ers.

Van álle Montréalers is Mont Royal. Niet alleen bepaald de berg het beeld van de stad, hij is ook een vitaal deel van het leven hier. Op een steenkoude dag heb ik hier eens gelanglaufd, mijn ogen uitkijkend naar tout Montréal, want iedereen was op de berg te vinden. Parc du Mont-Royal, op de hoogste van de drie toppen van de berg, is ontworpen door Frederick Lawn Olmsted, die ook verantwoordelijk was voor Central Park in New York.

Aan de westzijde ligt Westmount, de rijke Engelse wijk, die uitziet over de stad en de Saint-Laurent. Langs de licht hellende straten staan prachtige huizen, vaak negentiende eeuws. Het Belvédère of Westmount, op een van de andere toppen van de berg, kijkt uit over deze wijk, naar de drie torens van Westmount Square, die in 1966 door Mies van der Rohe werden ontworpen. Het beste uitzicht vanaf de berg biedt het kleine chalet in Parc Mont-Royal zelf. Het kijkt onder meer uit op de mooie campus van McGill University, de downtown en de Saint-Laurent. Op de top staat ook het kruis dat Sieur Maisonneuve in 1643 de berg op sleepte, uit dankbaarheid voor een op het nippertje afgewende overstroming.

Betaalbaar Parijs

De reisjournaliste Jan Morris schreef eens over Montréal : ‘Een van de raarste aspecten van Montréal is dat het geen erg mooie stad is. Het zou mooi moeten zijn, maar is het niet.’ Wel, daar staat het. Inderdaad is het moeilijk je onmiddellijk iets voor te stellen bij Montréal. Geen speciale in het oog springende gebouwen, unieke ligging, treffende monumenten of andere zichtbare zaken. Het gaat in Montréal dan ook om wat voelbaar is; het is geen stad van dertien in een dozijn.

Montréal wordt altijd gekoppeld aan Parijs (niet in het minst door Montréalers zelf): een soort betaalbare variant, met evengoede cultuur, een kwaliteitskeuken en winkels die zouden kunnen wedijveren. Dat lijkt met overdreven. Parijs is het niet, maar Montréal is wel zo dicht bij als je op het Noordamerikaanse continent kunt komen. Het is te hopen dat de provincie Quebec uiteindelijk niet zo dom zal zijn om zich af te scheiden van de rest van Canada. Zowel de provincie als het land zouden iets unieks verliezen: Franse steden zijn er genoeg, Amerikaanse steden te veel, maar een echt Canadese stad - kom daar eens om.

vlagklein.gif (888 bytes)


Terug naar provincie Quebec