Artikel over Toronto, Ontario, in Canada.

VISITCANADA.NL

 

 

Let op: de pagina's van deze site zijn verplaatst.

Klik op de foto voor de link 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

POLITIEK DAGBOEK | HOME |BULLETINBOARD | SAMENLEVING





 



 

Toronto

De gezondste stad van Noord Amerika

Doe maar gewoon is een motto dat Toronto, Canada's grootste stad, op het lijf geschreven kon zijn. Misschien is de stad daarom zo'n toonbeeld van een etnisch en raciaal gemengde, kosmopolitische en tegelijk burgerlijke, trendy en ouderwetse, ruimdenkende en conservatieve stad. Iedereen werkt hard, de regels zijn duidelijk en geaccepteerd, orde en arbeidsethos worden gewaardeerd. Een stad waar iedereen zijn plaats kan vinden, en vindt.

Hans Jongeneel

e meeste mensen - zeker Amerikanen die weinig aandacht besteden aan hun noorderburen - denken dat Toronto een lelieblanke stad is, gevuld met voornamelijk angelsaksische, protestantse Canadezen. Sterker, ook veel van de bewoners van Toronto zelf meenden dat. Typerend genoeg zijn ze meestal plezierig verrast door de miraculeuze etnische transformatie die de afgelopen vijfentwintig jaar in hun stad heeft plaatsgevonden.

'Toen ik opgroeide ging je naar de Zondagsschool en gooide je pennies in een doos voor missionarissen om de heidenen en de barbaren te bekeren', vertelde een oudere bewoner me. Dat was voor de Tweede Wereldoorlog, toen de grootste parade in Toronto nog elke juli werd georganiseerd door de Orange Order, ter viering van de Protestantse dominantie. En op die weldadige neutrale toon die Canadezen perfect beheersen, vervolgde de man: 'Nu zijn de heidenen en de barbaren hier naar toe gekomen, en het zijn best aardige mensen, niet?'

Niet alleen hebben de Orangemen de terugtocht geblazen, hun kinderen verkondigen nu trots dat Toronto de meest etnisch en raciaal gemengde stad ter wereld is. Er verschijnen zes Chinese kranten. De Carribische gemeenschap viert een gigantische twee weken durend festival in Mardi Gras-stijl ('s zomers dan, vanwege het weer). Er is een radiostation dat uitzendt in 32 verschillende talen.

Ongeveer een derde van de 230.000 immigranten die jaarlijks naar Canada komen, gaat naar Toronto en omgeving. Vluchtelingen arriveren op het ritme van recente internationale nachtmerries - Tamils uit Sri Lanka, Hutus uit Ruwanda, Chechen uit de voormalige Sovjet Unie. Niet alleen bleken ze heel aardig, ze hebben van Toronto ook een veel aardiger stad gemaakt.

Dat is een wonder dat misschien als voorbeeld kan dienen, zeker voor Amerikaanse steden, waar aardig zijn vaak geldt als een slechte eigenschap en waar strijdbaarheid het meestal wint van etnische aanpassing. Natuurlijk heeft Toronto haar problemen, zoals iedere stad. Een langdurige recessie heeft de sociale structuur onder druk gezet. Er is te weinig geld voor sociale programma's, wat sommige burgers wijten dat aan de kosten voor de opvang van nieuwe immigranten. Er zijn spanningen tussen de stad en haar voorsteden over een rechtvaardige verdeling van de lasten. Maar de straten zijn nog steeds schoon, de ondergrondse rijdt op tijd, en gewelddadige misdaad is een zeldzaam fenomeen (in 1995 had Toronto twee moorden per 100.000 inwoners, Washington D.C. 65). Heel diverse etnische groepen en rassen gaan gemakkelijk op in een samenleving die is gebaseerd op een oude Angelsaksische ethos van orde en wat hoort en niet hoort. De bedelaars, de strippers en zelfs het bleke meisje dat in teer gedoopte rozen verkoopt bij een populaire nachtclub: allemaal zijn ze beleefd.

Koketteren met saaiheid

Toronto probeert tegelijkertijd kosmopolitisch en burgerlijk te zijn, en vaak lukt dat. Om een pensioenfonds te promoten hangen in de bushaltes en op billboards plakkaten met Oscar Wilde, in een smoking, en misschien wel de minst karakteristieke zin die hij ooit schreef: 'It's better to have a permanent income than to be fascinating'.

Het toerismebureau van Toronto heeft een handboek met uitspraken over hoe saai hun stad vroeger was. Neem deze uit 1906: 'Toronto maakt van een zondagmiddag in een Schots dorp een hash-droom.' Burgers koketteren met hun saaiheid, zijn altijd bereid om te bekennen dat ze een beetje te rustig zijn, een tikkeltje te precies, iets te netjes.

Maar Toronto heeft veel van de belangrijke dingen in orde: haar honkbal team, de Blue Jays, won in 1992 en 1993 de World Series. Haar theatercultuur is een van de rijkste in Noord Amerika, en de kwaliteit van haar televisie- en filmprodukties heeft van de stad een soort Noord-Hollywood gemaakt. Met Margaret Atwood, Michael Ondaatje en wijlen Robertson Davies, kan Toronto bogen op een aantal van de beste auteurs in de Engelse taal. Ex-Newyorker Jane Jacobs, die een bestseller schreef onder de titel The Death and Life of Great American Cities, noemde haar huidige woonplaats eens 'de meest belovende en meest gezonde stad in Noord Amerika'.

Voor een kritische en dwars ingestelde typische Amerikaan als ikzelf, voelt dit alsof er in het huis naast je een gelukkig gezin ingetrokken is. Ik was onder de indruk, vol bewondering maar ook wat jaloers, en ik wilde per se weten wat het geheim van dit gezin is.

Science fiction

Tijdens een avondwandeling over Queen Street ving ik opeens een glimp op van de CN Tower, het gevaarte dat de Canadian National Railway eens bouwde in een on-Canadeese bevlieging van megalomania. Ik had hem overdag gezien - je kunt het ding moeilijk missen: met zijn zeshonderd meter is het de hoogste vrijstaande constructie in de wereld. Maar zijn haast buitenaardse uitstraling bij nacht deed me de adem stokken. De toren was gehuld in rollende, transparante wolken en de waarschuwingslichten bovenin flikkerden in ritmische afwisseling. Boven de SkyPod schoten bundels licht door de wolken omhoog als water uit een fontein. Het leek wel een science fiction fantasie - een minaret met daarbovenop gepind een vliegende schotel.

Daarmee viel de toren uit de toon met de supernormale, doe-maar-gewoon geest van de stad. Officieel gebouwd als een zendmast, functioneert hij nu vooral als toeristentrekker. De SkyPod is een de mooiste plek om gade te slaan hoe down-to-earth de rest van de stad is gebleven. Staande boven de kustlijn van Lake Ontario, zie je zeventig kilometer naar het noorden Lake Simcoe, en soms nog verder Georgian Bay. Rondom het stedelijk gebied met zijn 4,5 miljoen inwoners, schiet in ongedisciplineerde groepjes hoogbouw op. Dit alles vloeit samen, downtown, aan de oever van het meer in een architectonische hutspot, deels Victoriaans, deel modernistisch, deels science fiction fantasie. Maar de buurten bepalen nog steeds het beeld. Keurig, als voren in de vruchtbare akkers, liggen in dit vlakke landschap de lange rijen nette bakstenen huizen en grote, schaduwrijke bomen.

'Als je de doorgaande wegen ziet, is het bepaald een lelijke stad', zei John Fraser, een journalist die nu de scepter zwaait over Massey College in de University of Toronto. Volgens hem is de ware charme van de stad dat je maar een paar passen buiten die grote wegen terechtkomt in vriendelijke kleine buurten met nette, dicht op elkaar gebouwde huizen. We reden door zo'n buurt, in de familie-Volvo, om Frasers dochters van de schaatsles naar de repetitie van het koor te brengen. In de grond van de zaak, zei hij, was Toronto nog steeds een stad van Presbytereaanse winkeliers. 'Mijn moeder zei altijd dat de huizen zo dicht bij elkaar zijn gebouwd omdat iedereen een oogje op de ander wil houden.' Hij wees naar een kerk, de Timothy Eaton Memorial, geheel in stijl niet vernoemd naar een heilige maar naar een plaatselijke grootgrutter. 'De typische Canadees praat zichzelf omlaag', zei Fraser. 'Maar eigenlijk zijn we nogal tevreden met ons land.'

Mozaïek, niet melting pot

Een rood-witte tram zeilde met statige gratie door Dundas Street: het droge schuren van staal op staal en gedonder van de wielen, de sissende luchtremmen, de rinkelende bel. In de tram domineerde niet één speciale kleur of etnische groep en iets in de manier waarop de mensen oogcontact maakten, gaf me het gevoel dat niemand hier de onbeleefd zou hebben om zijn eigen cultuur aan een ander op te leggen. Sinds 1971 heeft Canada een beleid om multiculturalisme te bevorderen en Canadezen houden ervan om hun samenleving een mozaïek te noemen, niet een melting pot. De Italianen stapten uit in de ene buurt, de Vietnamezen in de volgende, Chinezen een paar blokken verder naar het oosten. Iedere gemeenschap is compleet, een stukje in de mozaïek, pogend een plek te vinden in het nationale ontwerp. De eeuwige vraag in 'polysyllabic, polymorphous, polymetropolitan' Toronto, zoals een bewoner het noemde, is of er eigenlijk wel sprake is van een ontwerp.

Ik stapte uit bij de Chinatown halte, waar de kooplui haaievinnen verkopen, verse taro roots, en de bundels suikerriet die op de trottoirs staan. De geordendheid van Toronto was zelfs hier zichtbaar, ondanks het hectische kopen en verkopen. De kraampjes op de stoep blijven allemaal keurig tussen de gele geverfde lijnen die de ruimte aangeven waarbinnen de winkeliers hun zaken mogen uitstallen. (Zelfs straatmusici in de ondergrondse moeten binnen gele rechthoeken blijven - en moeten een auditie houden om een plekje te verwerven.)

David Ko, een entrepreneur die in 1967 hier kwam vanuit Hong Kong, leidde me rond. 'Hong Kong is ontzettend druk', zei hij. 'Je moet heel snel praten, werken, eten en de tijd vliegt. In Toronto zit niet veel leven in de brouwerij. Mensen uit Hong Kong vinden dat niet zo geslaagd. Maar ze komen toch naar Toronto omdat ze beter onderwijs willen, lage misdaadcijfers.'

'Bent u Canadees?' vroeg ik.

'Ik ben een Canadese burger', antwoordde hij.

'Maar diep in uw hart?' zei ik.

'Mijn kinderen zijn Canadees. Ze eten bij McDonald's. Ze houden van friet, niet van rijst.'

'Wat betekent Canadees zijn voor u?' probeerde ik nog.

Maar het onderwerp maakte Ko onzeker en tweeslachtig: hij wist niet wat het betekende om Canadees te zijn, behalve dat het leek op Amerikaan zijn. Maar dan veiliger.

'Fantastische plek! Ik ben er gek op', zei Peter Tran, een van de Vietnamese bootvluchtelingen die hier in de jaren zeventig aankwam. De voormalige professor in de pedagogiek bouwde hier een nieuw leven op als busconducteur, werd daarna restauranteigenaar, en nu is hij een counselor bij het Ontario Welcome House, een overheidsbureau dat nieuwkomers helpt de weg te vinden. 'Vriendelijk. Welvarend. Democratisch.' En hij voegde toe: 'En veilig! Veilig in veel opzichten. Geen overstromingen. Geen orkanen. Geen misdaad. Nou ja, er is wel misdaad, maar niet zo vreselijk.'

De gedachte bekroop me op dat Toronto gedeeltelijk zo ordelijk is gebleven omdat veel van de nieuwkomers uit de jaren zeventig en tachtig gezien hebben hoe erg het kan worden als order tot waanzin wordt. Net als Tran behoren ze veelal tot de middenklasse. Het Canadese immigratie-beleid bevordert wat critici omschrijven als 'designer-immigrants'.

Beneden in Ontario Welcome House leidde een leraar Engels, Wayne Hayes genaamd, een stuk of dertig nieuwkomers door de valstrikken van de voorwaardelijke wijs. Op een bord schreef hij, 'Ik zal morgen met je naar dat dure restaurant gaan'. Op het andere bord zette hij de cruciale toevoeging, 'als jij betaalt'. Een student met een Tamil-woordenboek zat naast een klasgenoot met een Serbisch woordenboek en om hen heen zaten Russische, Franse en Cantonese collega's. Hayes ging verder met de subtiele verschillen in betekenis van woorden. 'Je moeder zou je natuurlijk bijstaan. Maar wat doet de winkelbediende bij Eton's? ... Ja, juist, hij helpt je.'

Deze twintigers en dertigers waren goed opgeleid en wilden graag leren. In hun thuisland waren ze doktoren, ingenieurs, laboratorium technici, onderwijzers. Hayes vroeg hen hun weekend te beschrijven. 'Ik ben gaan schaatsen bij Harbourfront', zei een man.

'Ben je vaak gevallen? Weet je nog dat woord 'je generen'?'

'Ik heb een hockeywedstrijd gevolgd op televisie', zei een ander. 'Ik ben naar de kerk geweest met mijn vrouw.' 'Ik ben met mijn kinderen naar het park gegaan.'

Naderhand praatte ik met Hayes over regels. 'Canadezen houden van orde, an ze zijn bereid om bepaalde vrijheden daaraan op te offeren. Daarom dragen we geen wapens. Dat geven we met plezier op. Canadezen geloven ook in in de rij staan. Je wacht op je beurt, of het nu voor een film of voor een bankbediende is.'

De regels, vooral die om tot bepaalde beroepen toegelaten te worden, frustreren zijn leerlingen. 'Ik had eens een droom dat ik in mijn klas stond en dat al de studenten om me heen in hoog tempo oud werden. Ik dacht aan die doktoren die graag weer hun beroep wilden uitoefenen en dat misschien nooit meer zullen kunnen doen.'

'Het kan erg wreed zijn. Maar ze komen vaak uit plaatsen waar het er nog heel wat wreder aan toegaat. Je kunt het soms in hun gezichten zien. Ze krijgen die starende ogen, en je weet dat ze zich iets herinneren waarvan je hoopt dat je het nooit, maar dan ook nooit zult zien.'

Canadese identiteit

Ik had het gevoel - misschien geïnspireerd door gedachten aan ondenkbaar geweld - dat misschien ijshockey al deze etnische groepen verbindt. Canadezen denken graag dat zij de sport hebben uitgevonden en hij speelt een belangrijke rol in het eindeloze debat over de Canadese identiteit. Ik had een film gezien, Masala, gemaakt door een Indiase immigrant, waarin Lord Krishna, 'de meest geslepen en mysterieuze van alle goden', verschijnt in het uniform van de Toronto Maple Leafs en allerlei wonderen verricht (niet het winnen van het kampioenschap echter). Voor een buitenstaander lijkt hockey zo'n beetje de enige plek waar Canadezen hun anarchistische impulsen loslaten, en misschien verklaart dat waarom ze er met zulk onkarakteristiek fanatisme van houden.

In een grotachtige schaatshal in Scarborough trof ik een hockey-vader bibberend aan de kant. Carl Chan, een nucleair ingenieur, was uit China gekomen om in Winnipeg naar de universiteit te gaan. 'Fantastische plaats', zei, zijn vuist omhoog stekend bij wijze van steun voor Winnipeg. 'Min veertig Fahrenheit of Celsius. Welk van de twee doet er niet toe.' Ik vroeg hem of het spel zijn 13-jarige zoon zich Canadees deed voelen. 'Ik geloof niet dat hij denkt over Canadees zijn', zei Chan. 'Hij speelt gewoon lekker.'

Waar de kinderen het meest aan dachten was de blauwe lijn op het veld. Toen werd mijn aandacht afgeleid door een stevig 15-jarige meisje in keepersuitrusting. Haar naam was Reyell McKeever, al meldde de achterzijde van haar shirt, dat ze van een voorganger had gekregen, dat ze Penthouse heette. Niemand scheen haar daarmee te pesten. Ze speelt in jongens- en meisjes competities en vond dat de meisjes veel ruwer zijn.

'Ik werd geschorst voor elf wedstrijden wegens het slaan van een scheidsrechter', vertelde ze. 'Ze nam me in een houdgreep. Dus knalde ik haar in haar gezicht, daar kwam het op neer.' Ze lachte lieflijk. 'Buiten het ijs ben ik echt heel tam.'

Buitenlandse culturele wortels

Misschien is het wel helemaal niet belangrijk dat een stad een identiteit heeft die een nieuwkomer als zodanig kan herkennen. Het echte wonder van Toronto is misschien dat de 'meest belovende en gezondste stad van Noord Amerika' bijna per ongeluk tot stand kwam. Haar culturele wortels liggen voornamelijk in buitenlandse bodem en niet alleen door de voor de hand liggende immigrantenbanden. Haar theaters en ziekenhuizen dragen de namen van leden van het Britse koningshuis, en haar diepe koloniale banden met het Britse imperium zouden het zelfbewustzijn van elke stad ondermijnen. En dan is Toronto ook nog gekoloniseerd door de Amerikaanse pop cultuur.

'Er is een pervers soort van weigerachtigheid om her hier en nu in Canada te accepteren', zei de filmer Srinivas Krishna, de regisseur van Masala. 'Er is een loyaliteit aan ergens anders.' Krishna's houding en accent waren honderd procent Noordamerikaans, ook al was hij geboren in India, als kind van een rijke familie. Masala gaat over een Vietnamees meisje dat als winkelbediende werkt in een warenhuis in Toronto. Canada vertelde zijn nieuwkomers niet waar ze inpasten en wat ze moest worden, vond Krishna. 'Dit land heeft geen verhaal', zei hij.

Maar ik begon juist te denken dat dat misschien wel het geheim was van de kracht van Toronto.

Ik bezocht ook de 56-jarige Ernst Zundel, een leidende neo-nazi. Zundel, die emigreerde uit Duitsland, woont in een gegoede buurt in een straat met Carribische, Mexicaanse, Italiaanse, Chinese en Spaanse restaurants. In zijn huis vond ik een overdaad aan verhaal, in de vorm van de boeken en video's die hij verkoopt, zoals Did Six Million Jews Really Die?

'Canadezen verdienen alle problemen die ze met immigratie krijgen', zei hij. Ik vroeg hem wat voor problemen, en hij begon over drive by shootings, verkrachtingen, roofovervallen. Welke immigranten gaf hij de schuld? 'Zwarten', was het antwoord. 'Ik heb er bezwaar tegen dat hordes van raciaal onintegreerbare mensen mogen komen wonen binnen de leefruimte van een bepaald ras.'

Zundel kon je gemakkelijk als extremist terzijde schuiven, maar onder het vriendelijke oppervlak van de stad merkte ik wel degelijk iets van zich aandienende rassenproblemen. Bewoners praten in niet-aanstootgevende woorden, maar met onmiskenbare irritatie, over de vraag hoe de populatie van 240.000 zwarten, voornamelijk uit het Carribisch gebied, past in de Canadese samenleving. Veel zwarten vertelden me over discriminatie op de banenmarkt en over de politie die hen lastig valt. Je hoort praten over de 'Canadian experience'', zei Clifton Joseph, een op Antigua geboren dichter. 'Ja, ja, u ben arts, maar u hebt geen Canadese ervaring'. Volgens Joseph verwerpen steeds meer vooral jonge mannen Canada's ethos van orde, omdat het voor hen niets doet. Het gevaar, suggereerde hij, was dat zowel zwarten als blanken alleen maar over elkaar horen in het avondnieuws, daarmee in de val lopend die de rassenverhoudingen in de Verenigde Staten zo heeft gepolariseerd.

Maar ik kon niet geloven dat Toronto ooit die extreme kant op zou gaan. Een columnist van een dagblad die probeerde de logica achter Canada te verklaren, merkte op: 'Ons doel is niet life, liberty and the pursuit of happiness; het is vrede, orde en goed bestuur. Onze geschiedenis is een verhaal van mensen die proberen de zaken op een plezierige manier te regelen.'

Hoofdzaken voor elkaar

'Vroeger heette de stad Toronto the Good', vertelde een sociaal werker me. 'Ik weet dat dat saai klinkt.' Volgens recent onderzoek komt de naam Toronto van een woord van de Mohawk dat betekent 'stick in the mud' (in het Amerikaans de term voor saaie kwast) - nou ja, het betekent eigenlijk palen in het water en slaat op de manier van vissen in de omgeving. Maar er is heel wat te zeggen voor de bedachtzame, volwassen kijk op de wereld van de stad. Toronto concentreert zijn energie erop om de hoofdzaken goed voor elkaar te krijgen: goede scholen, veilige buurten, een sterk netwerk van sociale steun programma's voor iedereen.

'Kies je eigen definitie maar', adviseerde een stedenplanner zijn collega's op een conventie. 'Een stad is een plaats waar je vreemdelingen met een open hart kunt ontmoeten, in anonimiteit van perversie kunt genieten, gemeenschappen kunt vinden zonder claustrofobie, kunt begrijpen dat goed eten, drinken en praten de beste vormen van wraak zijn. De meesten van onze recente immigranten weten instinctief hoe ze moeten genieten van het grote-stads-leven, en gelukkig heeft de grote liberale middenklasse die nog in de centrale stad woont, het nooit vergeten.'

Deze kijk was bewonderenswaardig tolerant en zo wandelde ik rond, genietend van de stad in al zijn variatie, zoals elke nieuwkomer dat doet.In het Ontario Science Center zag ik een Orthodoxe Jood met zijn grijze baard en zwarte hoed met zijn dochter in de bobslee-simulator klimmen. In het SkyPod van de CN Tower ging een Sikh met een witte hoofdband op de glazen vloer liggen voor een foto alsof hij in de lucht boven de stad zweefde. In de crèche van het Ontario Welcome House, babbelde een jongetje Russisch tegen een meisje dat babbelde in Tamil. Ze lachten allebei.

De bewoners van de stad kiezen voor hun privé-leven. Alle gesprekken gaan over gezinnen, buurten en etnische groepen. Toronto past zich overal zonder moeite aan aan, tevreden om zijn eigen zaken te regelen en anderen met rust te laten met hun zaken. Een zakenman vertelde me een verhaal over Toronto's aanpassingsvermogen, zelfs als het gaat om zo'n absurde indringer als de CN Tower. Toen de toren voor het eerst open was, waren werklieden nog bezig met het verwijderen van platen hout van het observatiedek, toen er een losraakte. Ze keken hoe de plaat richting drukke straten tuimelde. In elke Amerikaanse stad zouden wandelaars geplet zijn, passanten zouden onwel geworden zijn van een dodelijk regen dennesplinters, en juristen zouden tot diep in de volgende eeuw werk hebben. Fantastisch materiaal voor het avondnieuws. Maar dit was Toronto. 'De spaanplaat kwam neer in het midden van King Street, vlak voor een theater. Een bestelwagen kwam eraan. Hij stopte, de bestuurder kwam eruit, gooide de spaanplaat achterin de auto en verdween ermee. We hebben nooit uitgevonden wie het was.'


Terug naar Ontario