De Sunshine Coast van British Columbia, Canada.

VISITCANADA.NL

 

 

Let op: de pagina's van deze site zijn verplaatst.

Klik op de foto voor de link 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

POLITIEK DAGBOEK | HOME |BULLETINBOARD | SAMENLEVING





 



 

The Sunshine Coast, BC

Hoewel dit gedeelte van Canada niet bekend staat om zijn grote hoeveelheid zonneschijn, mag de westkust van British Columbia, gelegen in de regenschaduw van Vancouver Island, toch met recht die naam voeren. Het is een route voor actieve natuurliefhebbers. Niet alleen vanwege de mooie landschappen, de dieren en planten, maar vooral ook omdat de kano en de kajak de beste manieren zijn om ervan te genieten.

door: Douglas Chadwick

Ik ben één van die mensen die zodra ze in de buurt van de zee komen, eindeloos over kades willen slenteren. De boeg van vrijwel elk afgemeerd schip, om het even of het gaat om ranke zeilboten, roestbakken van vissers, of de kleinst mogelijke schuitjes, zet mijn verbeelding en fantasie over verre kusten aan het werk. Bovendien zijn kades de plek bij uitstek om te staren naar alles wat in zee leeft: sea squirts, krabben, sponzen, zeeanemonen. De aan de meerpalen vastgeklitte dieren hinten naar een mysterieuze wereld beneden de eindeloze reeks golven.

Mijn hoofd waait heerlijk leeg in de zoute bries terwijl ik wandel over een kade in het dorp Lund, 250 zielen groot. Ik ben aan het einde gekomen van mijn reis in British Columbia, aan het einde van Highway 101. De laatste honderdvijftig kilometer bestonden uit eindeloos veel bochten en twee overtochten per veerboot. Gelukkig voert Highway 101 door een stuk van de wereld waar je het sowieso al kalm aan wilt doen.

De Sunshine Coast is de naam van deze ontmoeting van bergen en de oceaan, van zoetwatermeren en zoutwaterbaaien, van uitgestrekte wouden en kale, winderige eilanden. Wie echt alle aspecten van deze kustlijn zou willen onderzoeken, inclusief de talrijke eilanden en de veranderingen die elk getijde veroorzaakt, kan hier zonder moeite een paar jaar zoek brengen.

Boerderijtjes

Voor mij was het echter maar een week geleden dat ik in het stadsparkje van Horseshoe Bay zat. Met mijn gezin wachtte ik op de ferry die ons zou vervoeren over de Howe Sound naar het dorp Langdale, waar de Sunshine Coast begint. Achter ons lag Vancouver, de derde stad van Canada en op het ogenblik de snelst groeiende metropool van het land. Zodra we de ferry verlieten en Langdale inreden, werd de weg smaller en zagen we alleen nog her en der verspreid staande huizen die veel weg hadden van kleine boerderijtjes. Ook werden de uitzichten steeds ruimer en grootser, en steeds vaker sprankelde het blauw van het water in het zonlicht. Een stevige klim naar de top van Soames Hill verschafte ons een zeearenden-uitzicht over de Strait of Georgia, richting Vancouver Island, waarvan de met sneeuw beklede toppen wit afstaken als een extra laag tussen water en lucht.

We keken ook uit op Gibsons, het eerstvolgende stadje aan de kust. Het blijkt de gebruikelijke mengeling van restaurants aan het water, winkels en bloeiende kersenbomen en rododendrons te bieden, benevens een aardige boekhandel en een arsenaal antiekwinkels vol overblijfselen van huishoudens twee generaties terug. Een kilometer of twintig ten noorden van Gibsons, op de smalle landengte tussen Trail Bay in de Strait of Georgia en Porpoise Bay in Sechelt Inlet, ligt het stadje Sechelt waar de vijfhonderd indianen van de stam met die naam vredig samenleven met blanke Canadezen. De naam Sechelt komt van het woord ‘shishalh’ wat zoveel betekent als ‘over een boomstam heenstappen’, een verwijzing naar het draagpad dat de volken van de Coast Salish bijna tweeduizend jaar gebruikten om op fouragetochten langs de kust hun uitgehakte kano’s tussen de twee stukken water te transporteren. Vandaag de dag zie je er eerder vakantiegangers de lichtgewicht kano’s of zeekajakken losmaken van hun autodak en zuidwaarts peddelen naar de Trail Islands, waar ’s winters de zeeleeuwen bijeen komen of noordwaarts naar de Sechelt Inlets Marine Recreation Area.

We brachten een middag door in de stad met bezoek aan het House of héwhíwus, oftewel het huis van de ‘chiefs’. Het omvat onder meer een museum, een voorlichtingscentrum en het Raven’s Cry Theatre, waar oude dansen en liederen van de Sechelt worden uitgevoerd. Tegen de avond zetten we onze tent zeven kilometer verderop in Poproise Bay Provincial Park en wandelden naar het kiezelstrand om de gladde stenen te laten stuiteren op het zalmkleurige water.

Ons uitzicht was in veel opzichten onveranderd van de tijd dat de clans van de Bear, Wolf, Eagle, Killer Whale, Frog en Mountain Goat hier op zee jaagden, gekleed in hun mantels van geweven ceder schors. Niet ver van de oever hielden goudenoog en bufflehead eenden luidruchtige bijeenkomsten, een pauze nemend op hun lange reis naar de noordelijk broedgronden. Verderop doken aalscholvers en surf scoters naar voedsel, daar waar amerikaanse futen naast elkaar peddelden, verwikkeld in langgenekte hofmakerijen. Migrerende plevieren onderzochten de modder bij de uitstroom van een kreek en hun hoge roep mengde zich met het geluid van een groeiend koor van kikkers. Verderop, op de oeverrand graasden Canadese ganzen. Terug op onze kampeerplek, met ons vuur roodgloeiend onder de donkere blokken cederhout en Canadese den, vertelde ik de kinderen over ‘Raven the storyteller’, terwijl de nachtlucht vol hing met schreeuwen van futen.

Blauwe lucht

Halverwege de volgende dag stopten we veertien kilometer verderop aan de kust, in Coopers Green Regional Park vlak bij Halfmoon Bay. We slibberden over de rotsen nu het laagtij was, bruinwier (kelp) oplichtend om te zien wat we eronder konden vinden. Kleefvissen en aal-achtige hanekammen, zo bleek, en honderden kluizenaarskrabben, en één klein inktvisje. We wisten dat hier voor de kust exemplaren van wel vijftig kilo zwommen, de grootste octopussen ter wereld.

Op het strand ontmoetten we Sue Walker, een inwoner van Gibsons. Ik wilde weten wat ze vond van de prachtige blauwe lucht die boven ons torende. Ze verzekerde me dat de Sunshine Coast vanwege zijn ligging in de regenschaduw van de hoge pieken van Vancouver Island, inderdaad jaarlijks meer dan tweeduizend uur zon geniet. Heel wat zomerbezoekers komen hier vanuit Vancouver en verder, om te genieten van het enorme arsenaal van dit gebied aan provinciale en regionale parken, zeeparken, duikmogelijkheden, wandelpaden en kanotrajecten. Het aantal natuurbeschermingsgebieden langs de kust hier is indrukwekkend - het lijkt wel of er overal waar je de aanvechting voelt om eens rond te neuzen wel een park is te vinden.

Op een middag later die week, wandelden we Smuggler Cove Marine Park in. Het bleek een ring van rotsachtige landtongen en eilanden die een mooie, rustige baai omsloten, vol met kleine eilandjes. Door de bomen heen zag ik mensen rondwandelen over rotsen en drijfhout. Op een uitstekende rots zat een eenzame man in zijn schetsboek te tekenen, gadegeslagen door een stel zeehonden. Op de vloedlijn gleed een opaalkleurige naaktslak door de algenmassa, met uitsteeksels aan zijn rug en zijkanten die uitwaaierden als gevoelige bloembladeren - een kunstwerk, opgebouwd uit levend plasma. Drie meeuwen waadden door het water met zeeëgels in hun snavels. In de verte rondde een zeekajakker een van de eilandjes en peddelde in de richting van de ondergaande zon. Niet veel later verdween hij voor mijn ogen - opgelost in de glinsterende rimpels licht.

Levend firmament

In Pender Harbour, een kilometer of dertig ten noorden van Sechelt, besloten we dat ook wij minstens een deel van de Sunshine Coast vanaf het water moesten zien. Daarom huurden we bij Lowe’s Resort in Madeira Park, onze verblijfplaats, voor één dag een roeiboot om de kusten te bekijken. Met mijn dertienjarige dochter Teal aan het roer, zetten we koers naar Francis Point.

De oceaan is een plek die je stemming beïnvloedt. In de op en neer gaande getijden en de steeds wisselende wolken, en de plotselinge ontmoetingen met vormen van leven die droomachtig bizar en gevarieerd waren, verveelden we ons geen moment. Dit klimaat van voortdurende verandering werkt aanstekelijk en ik zag hem weerspiegeld in de gezichten van de kinderen, terwijl we langs rotsen voeren waarop zeeleeuwen lagen te zonnen en baaitjes invoeren waar scholen nieuwe haring het oppervlak rimpelden alsof er plotseling een vlaag wind overheen schoot.

Toen de avond viel, wisselden we de roeiboot in voor kano’s en voeren we van Lowe’s Resort naar de kleine gemeenschap van Garden Bay, waartoe ook een klein provinciaal park behoort. Rode zaagbekvogels zwommen met ons op en bij het vallen van de schemering zagen we een paar bald eagles terugkeren naar hun nest. Zodra we weer terug aan land waren, schoten Teal en Russell de heuvel op, en terwijl mijn vrouw het dorpje doorwandelde, kuierde ik, zoals gebruikelijk, over de kade, keek naar de boten en tuurde dromerig naar de lichtjes van de grotere zeilboten die buiten de haven op en neer dobberden.

Uiteindelijk troffen we elkaar weer en ons pad voerde naar het Garden Bay Restaurant. We merkten eigenlijk nauwelijks hoe het buiten was gaan motregenen. Maar toen de nacht diep en donker was gevallen, kwam de vraag op hoe we terug moesten komen naar onze plek van overnachting. Gelukkig hadden ze ons bij Lowe’s verteld welke havenlichten we moesten volgen. We waren nog niet lang onderweg toen we een heel ander soort verlichting ontdekten: de straling die bepaalde zee-organismen afgeven als ze gestoord worden. Iedere haal van de peddel veroorzaakte een wolk van blauwgroene vonken, en iedere passerende vis liet een spoor na als dat van een komeet. Ik vroeg me af hoe het zou zijn om de orca’s te zien, de killer whales die regelmatig Pender Harbour bezoeken. Zelfs de regendruppels veroorzaakten flikkeringen op het wateroppervlak. Af en toe leek het of we rondzwierven in een levend firmament.

Regenwouden

De volgende dag reden we van Pender Harbour, voorbij Sakinaw en Ruby Lakes, waar de fly-fishers probeerden forel en kokanee zalm te vangen. Vlak bij het dorpje Egmont namen we een bospad. We wandelden bijna een uur langs bessenstruiken vol bloesem, rode elzen met watervallen van catskins en esdoorns met grote bladeren gedrapeerd met hangende varens - een dwarsdoorsnede van wat je aantreft in Noordamerikaanse regenwouden. Geleidelijk aan werden we ons bewust van een geraas alsof golven op de kust beukten. De oorzaak was Skookumchuck Narrows (‘sterk water’ in het Chinook), waar het getij dat tussen de Sechelt Inlet loopt aanbotst tegen het water dat vanuit de Jervis Inlet komt. Het resultaat zijn draaikolken en hoge golven die sterk genoeg zijn om grote kiezel transportschepen te laten kapseizen, om maar niet te spreken van alle kleinere vaartuigen die hier in de problemen kwamen.

In een grot in het provinciale park hier ontdekten we weer een heel ander soort sterrenhemel. De hele bodem van de grot was besprenkelt met zeesterren. Achthoekige sterren, in kleuren van oranje tot diep paars. Zonnebloemsterren, de grootste en meest actieve zeester van het Noordwesten, die wel 24 punten kan hebben. Roodachtig bruine sterren. En de oranje of rode Hernicia levinscula, ook bekend als de bloedster. Ertussenin zweefden de veerachtige tentakels van de rode zeekomkommers, die familie zijn van de zeesterren, en anemonen - sommige door de opgenomen algen zo groen als nieuwe bladeren, andere die eruit zagen als rode dalia’s. Toen ik eindelijk weer om me heen keek, zag ik dat de kletterende getijdegolven in de rotsengten zich hadden teruggetrokken en we verder langs de kanten konden lopen om te zien wat zich daar in het water verborg.

Hypothermische roes

Highway 101 zelf bereikt Jervis Inlet bij Earls Cove, een paar minuten ten westen van Egmont. De enige manier om met de auto aan de overkant te komen is met een veerboot die op zijn tocht van een minuut of vijftig langs Nelson Island komt en landt bij Saltery Bay, zo genoemd naar de visverwerkingsfabriek die hier rond de eeuwwisseling stond. Vanaf het dek van de ferry zagen we de tweeduizend meter hoge bergen in het oosten langskomen, met hun sneeuwvelden, hun mistflarden en hun watervallen die vanaf grote hoogte omlaag kletteren.

Via de weg bereikten we de afwatering van Powell Lake. Van hieruit of vanaf Losi Lake, iets verder naar het oosten, kunnen bezoekers de Powell Forest Canoe Route volgen die hen door twaalf verschillende meertjes voert, verbonden door rivieren, stroompjes, kampeerplaatsen en draagpaden. We huurden slanke zeekajakken, langer en dunner dan de typische rivierkajakken en voorzien van voetroeren om je te helpen koers te houden op open water, en begonnen onze tocht op Powell Lake. We stopten bij de kampeerplaats in Haywire Bay en waadden door het zanderige water om beter een blik te kunnen werpen op het nest van een visarend. Daarna vervolgden we onze weg over het meer door de andere baaien. Soms zagen we ruwhouten woonboten, in gebruik om te vissen of als zomerhuisje; in andere baaien heerste slechts rust en eenzaamheid en graasden de herten aan de rand van het bos.

Vijfentwintig kilometer ten noorden van Powell River, in Lund, waar het asfalt ophoudt, ontmoette ik John Groves tijdens een van mijn wandelingen over de kade. Hij bleek de verhuurder van de boten waar ik naar liep te kijken. Hij hielp me een zeewaardige kajak uit te kiezen en wuifde ons uit terwijl we op weg gingen naar Copeland Islands Marine Park, een kleine archipel op maar een paar kilometer van Lund en toch vrijwel onaangetast door menselijke handen. Daar wachten ons de zeeleeuwen, harlekijn eenden, verscheidene koppels murrelets (een vogelsoort die bedreigd wordt door het kappen van old-growth bossen in de Pacific-Northwest) en vermiljoenkleurige gestreepte zeebaarsen, die we vingen en daarna weer loslieten.

In de loop van de middag kwamen we kilometers verderop terecht bij een veel groter en veel meer afgelegen natuurgebied, Desolation Sound Marine Park. Toen we een eenzame baai binnenvoeren en we het zonlicht zagen schijnen op een onderwaterbos van zeewier vol met halfverborgen diertjes, kon ik de verleiding niet langer weerstaan. Hoewel mijn wet suit al eerder te dun was gebleken voor deze kille contreien, dook ik toch met mijn duikbril en snorkel het water in.

Ik weet dat een duikbril de dingen groter doet lijken dan ze werkelijk zijn, maar één van de zonnebloem-zeesterren die ik vond was minstens een meter in doorsnede. Een klont zeewier die ik opzij probeerde te schuiven bleek een decorator crab, die zijn lang, spinachtige benen gebruikt om kleine stukjes zeewier en organismen die hydroids heten aan zijn ruwe schild vast te klemmen, bij wijze van camouflage. Vissen met namen als sculpins en blennies schoten overal rondom de stenen op de zeebodem. Nog dieper bewoog een tong zich over de zeebodem en gleed weg naar waar in het duister de silhouetten waren te zien van grote red rock crabs.

Zonder rubberen kap om mijn hoofd kreeg ik het al snel veel te koud. Maar ik was zo geïntrigeerd door de zeewieren voor me dat ik maar niet kon ophouden. Nadat ik eindelijk weer aan land was geklauterd en mijn rubberen pak had afgestroopt, kon ik niets meer doen dan rillend in een hypothermische roes me te laten opwarmen door de zon. En daarna trok ik mijn pak weer aan, zette mijn snorkel op en ging opnieuw op weg.

Die avond genoot niemand meer van het kampvuur dat we hadden gemaakt dan ikzelf. En die nacht droomde ik van een grotere boot, want de wind stak op en het geluid van een dreinende regen werd plotseling vergezeld van het gekraak en gedonder van onweer. Maar toen we ’s ochtends de tent uitkropen, streken de eerste stralen zonlicht al weer over het water.

Op de terugreis kregen we te maken met grotere dwarsgolven dan ik plezierig vond maar we haalden Lund zonder problemen. John Groves had geregeld dat we meekonden op een garnalenvisser. We braken onze rug bij het sorteren van de vangst, iedere keer dat kapitein Norm Utas en zijn maat een net binnenhaalden dat ze over de zanderige strandwateren sleepten. Daarna gingen we benedendeks om een fors deel van de net binnengehaalde oogst meteen op te eten.

Kilometers kust

Nu loop ik weer te slenteren over de kades vlak bij het Lund Hotel. In het gebouw dat al sinds 1895 fungeert als centrum van het stadje, zitten verder een postkantoor, een restaurant, een bar en een aantal winkels. We hebben inmiddels al een behoorlijk deel van de bevolking ontmoet. Gisteravond had Maichael Saunders, die elektronische navigatiemachinerie installeert en repareert, ons uitgenodigd voor een maaltijd van gebakken eland en voor het zien van video’s van de kustlijn verder naar het noorden. Hoe het staat met de zonneschijn daar weet ik niet, maar wel zagen we eindeloze stranden en kliffen die uitnodigden om te kamperen. We zijn hier echter al dagen langer dan we van plan waren en het is tijd om naar huis te gaan. Maar kijkend naar de boten die zachtjes rijden op de golven, realiseer ik me dat er alles bij elkaar ruim 40.000 kilometer kustlijn is in British Columbia, en dat we maar een fractie ervan hebben gezien.

 


Terug naar British Columbia