Reisinformatie over Canada. Artikel over Banff National Park en de bedreiging van de natuur in de Rocky Mountains.

VISITCANADA.NL

 

 

Let op: de pagina's van deze site zijn verplaatst.

Klik op de foto voor de link 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

POLITIEK DAGBOEK | HOME |BULLETINBOARD | SAMENLEVING





 



 

Banff National Park

Roerige tijden voor Banff

door Jon Krakauer

Hoog in de Canadese Rockies draagt de wind al een vleugje winter. De beken en stroompjes dragen een randje van ijskristallen. Aan de westelijke horizon dagen de wolken, dreigend met sneeuw.

‘Kijk daarboven’, fluistert mijn gezelschap, nerveus wijzend naar een met hei begroeide helling. ‘Zag je het bewegen? O, laat het alsjeblieft geen grizzly zijn!’ Dit is bear country, en niemand van ons heeft trek in een ontmoeting met Griz, maar dichterbij gekomen, blijkt het te gaan om een een berggeit, met drie kompanen. De toch niet ranke witte dieren rennen de vooro ns liggende richel op, met een gratie die de spot drijft met onze trage voortgang.

Niet ver boven de geiten vernauwd de richel zich tot een gekartelde rand, voordat het naar de hemel buigt als de steunbeer van een gothische kathedraal. Op 3500 meter boven zeeniveau culmineert de richel in de top van Mount Athabasca die, getooid met een zwierige hoed van rijp, de noordelijke grens afbakent van Canada’s oudste en meest gewaardeerde nationale park: Banff National Park.

Even naar het zuiden vult de tong van de Saskatchewan Gletsjer een anderhalve kilometer brede vallei die hij zelf uitgekerfd heeft. Maar de gletsjer, hoe groot ook, is slechts de teen van Gulliver; de hoofdmassa van ijs, de bron vanwaar de Saskatchewan ontspringt, ligt aan de horizon in al zijn hoge witte kaalte. Dit is het Columbia Icefield, enorm en eenzaam, een bevroren schild twee keer zo groot als Washington D.C. - de grootste ijskap van de Rocky Mountains.

De wind die over het ijsveld komt aangerold, snijdt dwars door elke vezel van mijn kleding, dus stop ik in de luwte van een enorm rotsblok om nog een trui aan te trekken en het uitzicht op me in te laten werken. Het is een voorwereldlijk landschap, rauw en onbedorven en enigszins bedreigend. Van hier uit, is de hand van de mens nauwelijks te zien. Die illusie is helaas niet land vol te houden. Op een warmere middag zouden we gezelschap hebben, veel gezelschap. Lager, op de Parker Ridge, is de toendra platgetrapt door zoveel wandelaars dat de route soms meer heeft van zes meter breed moerassig cattle trail.

Als de wind door mijn laatste trui dringt, keren we om en dalen we af naar de auto. In de schemer, als we voorbij Mistaya Lake rijden, in de richting van het hart van Banff National Park, wandelt een wolf over de highway en houdt even nonchalant in om ons te bekijken. Het park heeft nu nog maar een veertig wolven. Opgewondenover dit buitenkansje, stop ik de auto en kijk het dier recht in zijn ogen. Dan valt me de plastic zenderband om zijn nek op, door biologen aangebracht om overleving van deze soort te garanderen. Zo aan het einde van de twintigste eeuw, wordt ik eraan herinnerd dat het grootste deel van de overgebleven ‘wildernis’ van het continent intensief wordt gemanipuleerd, gereguleerd en beschermd, om totale verdwijning te voorkomen.

Zwarte beer

Hoe dieper ik het park inrijd, hoe meer zichtbaar is van de menselijke aanwezigheid. Buiten het vakantiedorp van Lake Louise loopt het verkeer vast in een file: een jonge zwarte beer knabbelt van de bessenstruiken in de berm, een bear jam veroorzakend waardoor zeven kilometer highway verandert in een parkeerplaats.

Net als Yellowstone in de Verenigde Staten, is Banff het vlaggeschip van het nationale parksysteem, het symbool van de natuurlijke pracht van het land. Het landschap is bekend en geliefd bij mensen over de hele wereld. Maar sommigen zeggen dat Banff wat al te populair is, meer dan dan goed voor haar is. ‘We worden geconfronteerd met vele, vele complexe problemen geconfronteerd’, erkent de hoofdopzichter van Banff, Charles Zinkan, met een vermoeide stem. ‘Het park staat aan alle kanten onder druk.’

Banff National Park ligt geplooid over de Continental Divide, de waterscheiding van het continent, omzoomd door drie andere nationale parken: Jasper, Kootenay en Yoho. Samen met drie provinciale parken vormen ze de Canadian Rocky Mountain Parks World Heritage Site, een ruig en uitgestrekt stuk wildernis, bespikkeld met kolossale gletsjers en ontelbare meren die glinsteren in ongelooflijke blauwe tinten. Met bij elkaar meer dan twee miljoen hectaren, vormen deze beschermde gebieden een van de grootste beschermde berglandschappen van de wereld. Banff is het meest bekende, het meest bezochte - en veroorzaakt ook altijd het meeste tumult. Wat in Banff gebeurt, zet meestal de hele regio in beroering.

En in Banff gebeurt heel wat. Jaarlijks bezoeken meer dan vier miljoen mensen het park. Canada’s belangrijkste transcontinentale spoorlijn en transcontinentale highway lopen zij aan zij door Banff’s centrale vallei. Als het druk is staan de auto’s, campers en tourbussen vastgeklonterd op de weg en omsluiert een wazige bruine nevel van uitlaatgassen de gevierde uitzichten. In het park liggen drie skigebieden en de stad Banff, waar zevenduizend mensen permanent wonen. Op een gemiddelde zomerdag kunnen de townies 25.000 toeristen door hun straten zien stromen.

Mensen die in Banff wonen en werken zijn het niet eens over de vraag of al deze mensen een serieuze bedreiging zijn voor de toekomst van het park. Mike McIvor, al 33 jaar inwoner en voormalig terreinbaas bij het Banff Centre, een internationaal erkend kunstinstituut, gelooft dat overontwikkeling in hoog tempo zijn geliefde park vernielt. ‘Het soort ervaring dat wordt verondersteld beschikbaar te zijn in een nationaal park is hier volledig geperveteerd. Dit hoort een plaats te zijn waar mensen weer leren aansluiting te vinden bij de natuurlijke wereld, maar dat is moeilijk als je vastzit in een file op Banff Avenue.’

Dit soort gepraat irriteert Ossie Treutler, een plaatselijke zakenman en lid van de gemeenteraad. ‘Milieu-activisten als McIvor praten graag over hel en verdoemenis’, klaagt Treutler, ‘maar je hoeft maar vijf minuten te rijden en je zit middenin de oneindige natuur. Je wordt moe van het kijken naar al die grote kale bergen; wat is er mis om daar een restaurant of een kleine chalet neer te zetten om het aangenamer te maken voor de mensen die hier komen?’

Wat daar mis mee is, vindt Paul Paquet, is dat de menselijke aanwezigheid in Banff vernielingen aanricht aan de breekbare opsmuk van het gebied. ‘Ik zou zeggen dat het park zich in een slechte, zeer slechte staat bevindt, vergeleken met die van tien jaar geleden, twintig jaar geleden, dertig jaar geleden’, stelt Paquet, een bioloog die wild heeft bestudeerd in heel de Rocky Mountains. ‘Er is een grote afname bij de meeste van onze roofdieren - zwarte beren, grizzlies, wolfachtigen, lynxen, poema’s. Deze soorten zijn onze beste indicatoren voor de algehele ecologische gezondheid en zoals het er nu op lijkt, zullen de meeste van deze dieren hier niet overleven.’

Onzin, vindt Rick Kunelius, een voormalig wildopzichter bij de parkdienst. ‘De grote-zoogdieren populatie is groter dan ooit’, zegt Kunelius. ‘Ontwikkeling heeft eigenlijk het leefgebied voor wilde hoefdieren vergroot door het creeëren van meer voedselvoorraden: de golfbaan, de grasvelden, ieders tuin. Kijk maar naar de edelhert als je me niet gelooft.’

Verse groene gazonnen

Naar edelherten kijken is niet moeilijk in Banff. En nergens is het eenvoudiger dan binnen de grenzen van het stadje zelf, waar edelherten zich geen zorgen hoeven te maken over roofdieren en worden voorzien van een ruime dis van groene gazonnen. Overal waar ik een hoek omsla, ontmoet ik robuuste kudden weldoorvoede edelherten: op het terrein van het ziekenhuis, grazend in het stadspark, knabbelend aan petunia’s in achtertuinen. De parkdienst schat dat vierhonderd dieren in de onmiddelijke omgeving van het stadje leven.

Terwijl de edelhert zich verbazingwekkend snel heeft aangepast aan het leven met mensen, moeten sommige mensen nog veel leren over het leven met edelherten. Toeristen die ervan uitgaan dat de dieren tam zijn, proberen ze vaak te aaien of chips te voeren, om dan te ontdekken dat een beest van vijfhonderd kilo met een anderhalve meter breed gewei veel schade kan aanrichten als het geïrriteerd raakt. Er zijn al zwaargewonden gevallen. edelhertkoeien zijn vooral gevaarlijk tijdens het kalfseizoen in het voorjaar; stieren worden gemeen en sluw tijdens de paartijd in de herfst. In een paar gevallen hebben edelhertstieren in hun drift zelfs auto’s in de straten van het stadje aangevallen.

Gealarmeerd door de groeiende kans op tragische ontmoetingen tussen edelherten en toeristen, hebben parkwachters de probleemdieren eruit gepikt, voorzien van oormerken en zenderbanden en, bij de zwaarste overtreders, de geweien afgezaagd en ze met vrachtwagens ver buiten de stad gebracht. Menselijke domheid is echter in bijna de helft van de gevallen de oorzaak van de problemen, dus hebben wachters ook een intensieve campagne opgezet om de toeristen voor te lichten over de onvoorspelbaarheid van de edelhert.

De Homo Sapiens is helaas een moeilijk te trainen soort. Wandelend langs Wolf Street tijdens het hoogtepunt van de herfstpaartijd, kom ik een edelhertstier en vier koeien tegen, grazend in een tuin, drie blokken van het centrum van Banff. Pal voor mij besluit een Duits stel met een peuter dat een kiekje van hun zoon naast een edelhert wel aardig zou zijn. De vader dropt het kind voor de stier, en rent dan terug om een foto te nemen als het blaag naar het immense, stinkende beest waggelt om het te aaien.

Het is niet verrassend dat de edelhert bezwaar aantekent tegen deze inbreuk op zijn privacy. Hij legt zijn oren plat en krult zijn bovenlip. Hij laat zijn gewei zakken en loert kwaadaardig. Net als een bloedbad onvermijdelijk lijkt, duikt pa tevoorschijn en rukt junior weg met een lach, onbewust van het gevaar.

De massa edelherten die door de straten van Banff zwerft geeft een verkeerd beeld van de ecologische welstand, waarschuwt bioloog Paul Paquet. ‘Onze beste data tonen aan dat er helemaal niet meer edelherten zijn dan tien of vijftien jaar geleden,’ zegt hij. ‘Ze zijn alleen maar gewend geraakt aan de stad, zodat ze veel vaker zichtbaar zijn.’

Pastorale bodem

Paquet zegt dat het het probleem is dat, hoewel er inderdaad een enorm groot onontwikkeld gebied over is in het park, het meeste daarvan op grote hoogte ligt, in ruige alpine zones. Veel soorten wild kunnen niet leven in het ruwe, ongastvrije landschap van de high country, tenminste niet het hele jaar door; de beste habitat is de met beekjes doorsneden vallei, wat toevallig ook de door mensen geprefereerde habitat is. Het is de pastorale bodem van Bow Valley waar mensen huizen bouwen, wegen aanleggen, winkelcentra opzetten. Het stadje Banff en de omringende ontwikkeling vullen de vallei al van muur tot muur, als een strop een van belangrijkste wildroutes in de noordelijke Rockies verstikkend.

‘Zeven jaar geleden,’ bekent Cliff White, de coördinator van het ecosysteem-onderzoek van het park, ‘maakten we een ongelofelijke blunder toen we grenzen stelden aan de grootte van de stad.’ Nadat ze vastgesteld hadden dat edelherten migratieroutes nodig hadden van tenminste honder meter breed, legden White en zijn collega’s de stadsgrenzen vast, waarbij ontwikkeling werd toegestaan tot honderd meter van de steile bergwanden die de gemeenschap bekroonden. ‘Maar,’ zegt hij, spottend neerstarend op de lawaaiige stad vanaf de zuidelijke hellingen van Mount Norquay, ‘we dachten niet aan de wolven.’

Wolven, zo blijkt, spelen een cruciale rol in het in stand houden van de gezondheid van het ecosysteem en zijn veel schichtiger rond mensen dan edelherten. ‘Wolven hebben routes van minstens een kilometer breed nodig,’ zegt White. ‘In onze onwetendheid gaven we toestemming voor de bouw van een groot nieuw hotel pal in het midden van een vitale wolvenroute aan de rand van de stad.’

Tekort aan woonruimte

Met dit nieuwste hotel, wiens staf in de zomer tot driehonderd man uitgroeit, verslechterde een al acuut huizentekort nog meer. Een buitenwijk om het huisvestingsprobleem te verlichten, zou volgens de tekeningen de wolvenroute hebben weggevaagd. Herziene plannen geven de wolven een soort doorgang, 350 meter breed.

Het tekort aan woonruimte voor degenen die werken in de toeristenindustrie van het park - goed voor een half miljard dollar - is een van de lastigste problemen van het park geworden. Er blijven weinig plaatsen over om te bouwen; werkelijk al het vlakke, open land rond Banff is vitaal leefgebied voor wild.

Sinds 1970 heeft de parkdienst de stad een bijzonder regelement opgelegd: de beruchte economische binding-clausule. Leslie Taylor, de onvermoeibare en razend populaire burgemeester van de stad, legt uit dat de essentie van dit decreet is ‘dat om in Banff te wonen, je er een baan moet hebben, de echtgenoot of afhankelijk moet zijn van iemand die hier een baan heeft, of gepensioeneerd moet zijn na hier vijf jaar gewerkt te hebben.’

Nog steeds wordt er grote druk uitgeoefend om ontwikkeling in het park te vergroten. Ten noordwesten van de stad, op een verradelijk deel van de Trans-Canada Highway, worden plannen voltooid om de breedte van de weg te verdubbelen van twee naar vier banen. Dit moet de weg veiliger maken voor menselijke reizigers, maar Paquet en andere milieu-activisten denken dat de nieuwe weg met gescheiden rijbanen en zijn afrastering dierenbewegingen nog meer zullen verstoren.

‘Wat een hoop larie!’ roept een klerk die de kassa voor een winkel in Banff bedient. ‘Er zijn alleen de afgelopen tien maanden al tien dodelijke ongelukken geweest! En sommigen zijn bezorgd over het doden van een paar edelherten? De dieren zijn niets anders dan ongedierte, uit hun krachten gegroeide ratten met geweien. Als die bomenknuffelaars erin slagen om de verdubbeling van de weg tegen te houden, zal het bloed van onschuldige verkeersslachtoffers aan hun handen kleven.’

Om de zaak nog gecompliceerder te maken, hebben biologen onlangs ontdekt dat ontwikkeling buiten de parkgrenzen een zeer ongunstig effect heeft op Banff’s gezondheid. Aan de zuidrand van het park zijn zijden van complete bergen afgestroopt en tot puin versneden door de mijnboew. En er zijn plannen goedgekeurd die Canmore - ooit een slaperig stadje net buiten de zuidelijke ingang van het park - zullen veranderen in een uitgestrekt netwerk van golfbanen, hotels en vakantiehuisjes.

‘Het probleem,’ zegt hoofdopziener Bob Haney, ‘is dat de parkgrenzen kunstmatig zijn. Plnaten en dieren erkennen geen lijnen op een kaart. We zijn traag geweest om te begrijpen dat het oplichten van een postzegel uit het midden van een enorm en complex ecosysteem gewoonweg niet werkt.’

Betoverend blauw water

Stof dwarrelt in een straal zonlicht als ik tien meter beneden Sulphur Mountain sta, in een kleine ondergrondse kamer, een grot in het kalksteen, vol met geologische uitstekels. De lichtkegel valt laserscherp door een kleine opening in de aarde. In de lucht hangt zwaar de stank van rotte eieren. Aan mijn voeten licht een betoverend mooi blauw water, zo warm als badwater. Deze grot was het die leidde tot Banff National Park.

In 1871 beloofde Minister President John A. Macdonald aan de inwoners van British Columbia dat als ze deel uit gingen maken van het Canadese kroongebied, er een spoorbaan zou worden aangelegd, dwars door Canada. Tegen oktober 1883 had de Canadian Pacific Railway met zijn spoor de Rockies bereikt, daar waar nu Banff ligt maar toen een verlaten oord dat bekend was als Sliding 29. Een maand later stuitten drie spoorwegwerkers die hun vrije-tijd vulden met mineralen-onderzoek op een groep van warme bronnen. Ze pruttelden uit een wand boven de Bow Valley en de mooiste van de drie was de blauwe poel waar ik nu bij stond.

In die tijd waren hete bronnen enorm populair. Men dacht dat stomende mineraalbronnen genezing boden voor allerlei kwalen, van kanker tot schotwonden en slangebeten. elf jaar eerder had de fascinatie van het publiek met bronnen al geleid tot de opening van het eerste nationale park ter wereld, Yellowstone. Toen de drie mannen de zwaveldampen diep inademden die uit de grot boven Sliding 29 kwamen, ‘roken ze al de geur van dollars’, zoals de historicus Sid Marty schreef.

De werkers claimden de bronnen bij de autoriteiten, maar het ontbrak hen aan zowel juridische kennis als gezond verstand. Ook de spamagnaten die hen opvolgden waren te gulzig: het duurde niet lang of de partners maakten ruzie en bedrogen elkaar, en de overheid werd erbij gehaald om het conflict bij te leggen. Maar de vertegenwoordigers van de regering zagen direct een prachtige bron van inkomsten voor de schatkist, die door de aanleg van de spoorweg vrijwel leeg was. De overheid loste het eigendomsconflict eenvoudig op door alle claims te verwerpen en het land rondom de warme bronnen opzij te zetten als een ‘nation’s park’ - het eerste Canadese park en pas het derde in de wereld. Banff Hot Springs Reserve was niet groter dan een dertig vierkante kilometer.

Grootste hotel ter wereld

Om de bronnen uit te melken werd een programma van ‘verbeteringen’ opgezet. Hopend dat toerisme de spoorweg zou redden, opende de CPR in 1888 een elegant hotel in de buurt van de bronnen, ontworpen naar voorbeeld van een Frans château. Toentertijd was het het grootste hotel ter wereld, met 250 kamers. De $ 250.000 die het kostte, was echter goed geïnvesteerd: het Banff Springs Hotel gaf de aanzet tot een belangrijke trekpleister.

Het hotel, dat na een brand in 1928 werd herbouwd, staat er nog steeds, met zijn herkenbare dakstijl van kilometers ver te zien. Midden voor het hotel staat het standbeeld van een kale, dikke man die gezaghebbend naar de horizon wijst. Het is een tribuut aan Sir William Cornelius Van Horne, general manager van de CPR, een ongeëvenaarde promotor en meer dan wie dan ook verantwoordelijk voor de aard van Banff. Niet alleen zag hij onmiddellijk het potentieel voor zijn spoorweg, hij was ook verantwoordelijk voor de naam: een geste naar twee grote aandeelhouders die waren geboren in Banffshire, Schotland.

In 1887 werd het park uitgebreid tot 750 vierkante kilomter en in 1920 kwam daar het gebied rondom Lake Louise bij, zeventig kilometer ten noordwesten van Banff, waar Van Horne een tweede hotel had gebouwd. De uitbreiding van het park deed echter weinig voor de bescherming van de natuur. Houthakken en mijnbouw bleven gewoon doorgaan en jagers hadden de edelherten, beren en ander wild in het park al uitgeroeid.

Toch begon nu ook het idee van natuurbescherming enige ingang te vinden, al bleef commerciële exploitatie de eerste prioriteit. Het waren vooral Amerikaanse toeristen, beïnvloed als ze waren door de ideeen van John Muir (zie Amerika ) en Henry David Thoreau die deze verandering tot stand brachten. Vaak waren dit klimmers die in Banff onbeklommen pieken troffen, zover als het oog kon zien.

Ander perspectief

Terwijl Lake Louise gonst van de toeristen met camcorders en groepsexcursies, kom ik geen mens tegen op ruim dertienhonderd meter boven het meer. Afgezien van het zachte gekraak van ijs dat in de richting van de vallei kruipt, is het hier stil. Om drie uur ‘s middags kom ik aan bij Abbot Pass, een rotsachtige inkeping op drieduizend meter boven zeeniveau die de verbinding vormt van de Continental Divide, de waterscheiding, tussen de pieken van Mount Victoria en Mount Lefroy. Hier ga ik overnachten, in een stenen berghut die wordt onderhouden door de Alpine Club of Canada. Morgenvroeg zal ik verder gaan om de Lefroy te beklimmen, als de bovenste hellingen stevig bevroren zijn en de kans op lawines minimaal.

In de hut tref ik Andres Smith, uit Saskatoon, die hier al drie dagen zit. ‘Hier ben ik in staat om terug te treden en naar dingen te kijken vanuit een ander perspectief’, zegt deze bemiddelaar met zijn nogal zware baan. ‘Ik heb geen route, geen horloge. Ik kan doen wat ik wil. De belangrijkste beslissing is of ik mijn plas doe aan de Atlantische kant of de Pacific kant van de divide.’

Die ochtend kruip ik vor zonsopgang uit mijn slaapzak, maak wat espresso, bindt mijn klimijzers onder en begin te klimmen. De noordwest-kant van Mount Lefroy doemt meteen boven de hut op, blinkend in het eerste bleke licht van de dag. De weg naar de top voert achthonderd meter omhoog over steil, diepblauw ijs.

Ik klim met een gestadig, hypnotisch ritme. De stalen pinnen van mijn ijsgereedschap bijten in het ijs met dat zekerheid gevende thunk! Mijn kuiten beginnen te branden van het balanceren op de tenen van mijn klimijzers en mijn longen piepen in de dunnen lucht.

Negentig minuten later ben ik op de top van een berijpte kam in de vorm van een enorme brekende golf. Voorzichtig turend over de bevroren richel, kijk ik neer op de miniatuur boompjes van Paradise Valley, bijna tweeduizend meter lager. De hemel strekt zich rond me uit. Ik ben op de top van de Mount Lefroy.

Ik blijf niet lang, het is koud en winderig daarboven. Op weg terug realiseer ik me dat dit de plek is waar Philip Abbot in 1896 verongelukte bij zijn poging om Mount Leroy te beklimmen. Zijn dood leidde, verrassend genoeg, niet tot afnemende interesse in bergbeklimmen maar juist tot een enorme groei. Na de ademloze verslagen van kranten over de uitdaging die de toppen van Banff hadden te bieden, kwamen de klimmers in hordes naar de Rockies.

Van Horne zag onmiddellijk het potentieel en begon naar de Rockies te verwijzen als de Canadese Alpen en sprak over de regio als ‘een tweede Zwitserland’. Vervolgens dekte hij zich in door een heel corps van Zwitserse berggidsen te laten overkomen om de groeiende groep amateur klimmers te beschermen tegen zichzelf.

Iedereen in Banff lijkt een mening te hebben over de Canadian Pacific Railway. En het is moeilijk om de invloed van de spoorweg te onderschatten. Het grootste deel van de geschiedenis van Banff National Park is die van een stuk onroerend goed van CPR. De spoorweg zorgde dat het park er kwam, had er twee grote hotels, beheerde de oer-bedrijven, en tot kort geleden was ze achter de schermen een doorslaggevende factor in het parkbeleid. Volgens historicus E.J. Hart was de CPR veel meer dan enkel een onroerend goed ontwikkelaar. ‘Het beeld dat de wereld heeft van de Canadese Rockies als een wonderwereld van bergen is in belangrijke mate te danken aan de marketing van de Canadian Pacific. Als er geen spoorweg was geweest’, zegt Hart, ‘dan had Banff zoals we het nu kennen nooit bestaan.’

Tunnel Mountain is een knoestige klomp van kalksteen, oprijzend als een tribune direct boven downtown Banff. I klim het korte pad op naar de top, hang achterover tegen de kale rots van de schouder van de top, en kijk nog éénmaal naar het uitzicht. In de verte ligt verse sneeuw op de hoogste hellingen van de Sawback Range. Kuddes stapelwolken galloperen door de lucht en vormen de vallei om in een verschuivend beeld van licht en donker. Meer dan duizend meter lager zit Banff Avenue verstopt met verkeer. Ik kan duidelijk het gerommel horen van de bussen en het geklop van de hamers van de timmerlui in een nieuwe shopping mall. Aan de overkant van de Bow River, voorbij het Banff Springs Hotel, zie ik dat de kleurige daken van een nieuwe suburb de plaats hebben ingenomen van de bossen.

Banff National Park, vooral dit stukje, is al lang geen maagdelijke wildernis meer. Voorbij de grenzen van de stad rijken echter de onbedorven bossen en weides tot aan de horizon. Daar vindt u nog steeds wolven en behoorlijk wat edelherten, en zelfs, als u ver genoeg zoekt, een paar grizzlies. Met bedachtzaam leiderschap en wat geluk, maken deze resten van een historische wereld een goede kans om te overleven.

vlagklein.gif (888 bytes)


Terug naar British Columbia