Roerige tijden voor Banff
door Jon Krakauer
Hoog in de Canadese Rockies draagt de wind al een vleugje
winter. De beken en stroompjes dragen een randje van ijskristallen. Aan de westelijke
horizon dagen de wolken, dreigend met sneeuw.
Kijk daarboven, fluistert mijn gezelschap,
nerveus wijzend naar een met hei begroeide helling. Zag je het bewegen? O, laat het
alsjeblieft geen grizzly zijn! Dit is bear country, en niemand van ons heeft
trek in een ontmoeting met Griz, maar dichterbij gekomen, blijkt het te gaan om een een
berggeit, met drie kompanen. De toch niet ranke witte dieren rennen de vooro ns liggende
richel op, met een gratie die de spot drijft met onze trage voortgang.
Niet ver boven de geiten vernauwd de richel zich tot een
gekartelde rand, voordat het naar de hemel buigt als de steunbeer van een gothische
kathedraal. Op 3500 meter boven zeeniveau culmineert de richel in de top van Mount
Athabasca die, getooid met een zwierige hoed van rijp, de noordelijke grens afbakent van
Canadas oudste en meest gewaardeerde nationale park: Banff National Park.
Even naar het zuiden vult de tong van de Saskatchewan
Gletsjer een anderhalve kilometer brede vallei die hij zelf uitgekerfd heeft. Maar de
gletsjer, hoe groot ook, is slechts de teen van Gulliver; de hoofdmassa van ijs, de bron
vanwaar de Saskatchewan ontspringt, ligt aan de horizon in al zijn hoge witte kaalte. Dit
is het Columbia Icefield, enorm en eenzaam, een bevroren schild twee keer zo groot als
Washington D.C. - de grootste ijskap van de Rocky Mountains.
De wind die over het ijsveld komt aangerold, snijdt dwars
door elke vezel van mijn kleding, dus stop ik in de luwte van een enorm rotsblok om nog
een trui aan te trekken en het uitzicht op me in te laten werken. Het is een
voorwereldlijk landschap, rauw en onbedorven en enigszins bedreigend. Van hier uit, is de
hand van de mens nauwelijks te zien. Die illusie is helaas niet land vol te houden. Op een
warmere middag zouden we gezelschap hebben, veel gezelschap. Lager, op de Parker Ridge, is
de toendra platgetrapt door zoveel wandelaars dat de route soms meer heeft van zes meter
breed moerassig cattle trail.
Als de wind door mijn laatste trui dringt, keren we om en
dalen we af naar de auto. In de schemer, als we voorbij Mistaya Lake rijden, in de
richting van het hart van Banff National Park, wandelt een wolf over de highway en houdt
even nonchalant in om ons te bekijken. Het park heeft nu nog maar een veertig wolven.
Opgewondenover dit buitenkansje, stop ik de auto en kijk het dier recht in zijn ogen. Dan
valt me de plastic zenderband om zijn nek op, door biologen aangebracht om overleving van
deze soort te garanderen. Zo aan het einde van de twintigste eeuw, wordt ik eraan
herinnerd dat het grootste deel van de overgebleven wildernis van het
continent intensief wordt gemanipuleerd, gereguleerd en beschermd, om totale verdwijning
te voorkomen.
Zwarte beer
Hoe dieper ik het park inrijd, hoe meer zichtbaar is van
de menselijke aanwezigheid. Buiten het vakantiedorp van Lake Louise loopt het verkeer vast
in een file: een jonge zwarte beer knabbelt van de bessenstruiken in de berm, een bear
jam veroorzakend waardoor zeven kilometer highway verandert in een parkeerplaats.
Net als Yellowstone in de Verenigde Staten, is Banff het
vlaggeschip van het nationale parksysteem, het symbool van de natuurlijke pracht van het
land. Het landschap is bekend en geliefd bij mensen over de hele wereld. Maar sommigen
zeggen dat Banff wat al te populair is, meer dan dan goed voor haar is. We worden
geconfronteerd met vele, vele complexe problemen geconfronteerd, erkent de
hoofdopzichter van Banff, Charles Zinkan, met een vermoeide stem. Het park staat aan
alle kanten onder druk.
Banff National Park ligt geplooid over de Continental
Divide, de waterscheiding van het continent, omzoomd door drie andere nationale parken:
Jasper, Kootenay en Yoho. Samen met drie provinciale parken vormen ze de Canadian Rocky
Mountain Parks World Heritage Site, een ruig en uitgestrekt stuk wildernis, bespikkeld met
kolossale gletsjers en ontelbare meren die glinsteren in ongelooflijke blauwe tinten. Met
bij elkaar meer dan twee miljoen hectaren, vormen deze beschermde gebieden een van de
grootste beschermde berglandschappen van de wereld. Banff is het meest bekende, het meest
bezochte - en veroorzaakt ook altijd het meeste tumult. Wat in Banff gebeurt, zet meestal
de hele regio in beroering.
En in Banff gebeurt heel wat. Jaarlijks bezoeken meer dan
vier miljoen mensen het park. Canadas belangrijkste transcontinentale spoorlijn en
transcontinentale highway lopen zij aan zij door Banffs centrale vallei. Als het
druk is staan de autos, campers en tourbussen vastgeklonterd op de weg en omsluiert
een wazige bruine nevel van uitlaatgassen de gevierde uitzichten. In het park liggen drie
skigebieden en de stad Banff, waar zevenduizend mensen permanent wonen. Op een gemiddelde
zomerdag kunnen de townies 25.000 toeristen door hun straten zien stromen.
Mensen die in Banff wonen en werken zijn het niet eens
over de vraag of al deze mensen een serieuze bedreiging zijn voor de toekomst van het
park. Mike McIvor, al 33 jaar inwoner en voormalig terreinbaas bij het Banff Centre, een
internationaal erkend kunstinstituut, gelooft dat overontwikkeling in hoog tempo zijn
geliefde park vernielt. Het soort ervaring dat wordt verondersteld beschikbaar te
zijn in een nationaal park is hier volledig geperveteerd. Dit hoort een plaats te zijn
waar mensen weer leren aansluiting te vinden bij de natuurlijke wereld, maar dat is
moeilijk als je vastzit in een file op Banff Avenue.
Dit soort gepraat irriteert Ossie Treutler, een
plaatselijke zakenman en lid van de gemeenteraad. Milieu-activisten als McIvor
praten graag over hel en verdoemenis, klaagt Treutler, maar je hoeft maar vijf
minuten te rijden en je zit middenin de oneindige natuur. Je wordt moe van het kijken naar
al die grote kale bergen; wat is er mis om daar een restaurant of een kleine chalet neer
te zetten om het aangenamer te maken voor de mensen die hier komen?
Wat daar mis mee is, vindt Paul Paquet, is dat de
menselijke aanwezigheid in Banff vernielingen aanricht aan de breekbare opsmuk van het
gebied. Ik zou zeggen dat het park zich in een slechte, zeer slechte staat bevindt,
vergeleken met die van tien jaar geleden, twintig jaar geleden, dertig jaar geleden,
stelt Paquet, een bioloog die wild heeft bestudeerd in heel de Rocky Mountains. Er
is een grote afname bij de meeste van onze roofdieren - zwarte beren, grizzlies,
wolfachtigen, lynxen, poemas. Deze soorten zijn onze beste indicatoren voor de
algehele ecologische gezondheid en zoals het er nu op lijkt, zullen de meeste van deze
dieren hier niet overleven.
Onzin, vindt Rick Kunelius, een voormalig wildopzichter
bij de parkdienst. De grote-zoogdieren populatie is groter dan ooit, zegt
Kunelius. Ontwikkeling heeft eigenlijk het leefgebied voor wilde hoefdieren vergroot
door het creeëren van meer voedselvoorraden: de golfbaan, de grasvelden, ieders tuin.
Kijk maar naar de edelhert als je me niet gelooft.
Verse groene gazonnen
Naar edelherten kijken is niet moeilijk in Banff. En nergens
is het eenvoudiger dan binnen de grenzen van het stadje zelf, waar edelherten zich geen
zorgen hoeven te maken over roofdieren en worden voorzien van een ruime dis van groene
gazonnen. Overal waar ik een hoek omsla, ontmoet ik robuuste kudden weldoorvoede edelherten:
op het terrein van het ziekenhuis, grazend in het stadspark, knabbelend aan petunias
in achtertuinen. De parkdienst schat dat vierhonderd dieren in de onmiddelijke omgeving
van het stadje leven.
Terwijl de edelhert zich verbazingwekkend snel heeft
aangepast aan het leven met mensen, moeten sommige mensen nog veel leren over het leven
met edelherten. Toeristen die ervan uitgaan dat de dieren tam zijn, proberen ze vaak te aaien
of chips te voeren, om dan te ontdekken dat een beest van vijfhonderd kilo met een
anderhalve meter breed gewei veel schade kan aanrichten als het geïrriteerd raakt. Er
zijn al zwaargewonden gevallen. edelhertkoeien zijn vooral gevaarlijk tijdens het kalfseizoen
in het voorjaar; stieren worden gemeen en sluw tijdens de paartijd in de herfst. In een
paar gevallen hebben edelhertstieren in hun drift zelfs autos in de straten van het
stadje aangevallen.
Gealarmeerd door de groeiende kans op tragische
ontmoetingen tussen edelherten en toeristen, hebben parkwachters de probleemdieren eruit
gepikt, voorzien van oormerken en zenderbanden en, bij de zwaarste overtreders, de geweien
afgezaagd en ze met vrachtwagens ver buiten de stad gebracht. Menselijke domheid is echter
in bijna de helft van de gevallen de oorzaak van de problemen, dus hebben wachters ook een
intensieve campagne opgezet om de toeristen voor te lichten over de onvoorspelbaarheid van
de edelhert.
De Homo Sapiens is helaas een moeilijk te trainen
soort. Wandelend langs Wolf Street tijdens het hoogtepunt van de herfstpaartijd, kom ik
een edelhertstier en vier koeien tegen, grazend in een tuin, drie blokken van het centrum van
Banff. Pal voor mij besluit een Duits stel met een peuter dat een kiekje van hun zoon
naast een edelhert wel aardig zou zijn. De vader dropt het kind voor de stier, en rent dan
terug om een foto te nemen als het blaag naar het immense, stinkende beest waggelt om het
te aaien.
Het is niet verrassend dat de edelhert bezwaar aantekent
tegen deze inbreuk op zijn privacy. Hij legt zijn oren plat en krult zijn bovenlip. Hij
laat zijn gewei zakken en loert kwaadaardig. Net als een bloedbad onvermijdelijk lijkt,
duikt pa tevoorschijn en rukt junior weg met een lach, onbewust van het gevaar.
De massa edelherten die door de straten van Banff zwerft
geeft een verkeerd beeld van de ecologische welstand, waarschuwt bioloog Paul Paquet.
Onze beste data tonen aan dat er helemaal niet meer edelherten zijn dan tien of
vijftien jaar geleden, zegt hij. Ze zijn alleen maar gewend geraakt aan de
stad, zodat ze veel vaker zichtbaar zijn.
Pastorale bodem
Paquet zegt dat het het probleem is dat, hoewel er
inderdaad een enorm groot onontwikkeld gebied over is in het park, het meeste daarvan op
grote hoogte ligt, in ruige alpine zones. Veel soorten wild kunnen niet leven in het ruwe,
ongastvrije landschap van de high country, tenminste niet het hele jaar door; de
beste habitat is de met beekjes doorsneden vallei, wat toevallig ook de door mensen
geprefereerde habitat is. Het is de pastorale bodem van Bow Valley waar mensen huizen
bouwen, wegen aanleggen, winkelcentra opzetten. Het stadje Banff en de omringende
ontwikkeling vullen de vallei al van muur tot muur, als een strop een van belangrijkste
wildroutes in de noordelijke Rockies verstikkend.
Zeven jaar geleden, bekent Cliff White, de
coördinator van het ecosysteem-onderzoek van het park, maakten we een ongelofelijke
blunder toen we grenzen stelden aan de grootte van de stad. Nadat ze vastgesteld
hadden dat edelherten migratieroutes nodig hadden van tenminste honder meter breed, legden
White en zijn collegas de stadsgrenzen vast, waarbij ontwikkeling werd toegestaan
tot honderd meter van de steile bergwanden die de gemeenschap bekroonden.
Maar, zegt hij, spottend neerstarend op de lawaaiige stad vanaf de zuidelijke
hellingen van Mount Norquay, we dachten niet aan de wolven.
Wolven, zo blijkt, spelen een cruciale rol in het in
stand houden van de gezondheid van het ecosysteem en zijn veel schichtiger rond mensen dan
edelherten. Wolven hebben routes van minstens een kilometer breed nodig, zegt
White. In onze onwetendheid gaven we toestemming voor de bouw van een groot nieuw
hotel pal in het midden van een vitale wolvenroute aan de rand van de stad.
Tekort aan woonruimte
Met dit nieuwste hotel, wiens staf in de zomer tot
driehonderd man uitgroeit, verslechterde een al acuut huizentekort nog meer. Een
buitenwijk om het huisvestingsprobleem te verlichten, zou volgens de tekeningen de
wolvenroute hebben weggevaagd. Herziene plannen geven de wolven een soort doorgang, 350
meter breed.
Het tekort aan woonruimte voor degenen die werken in de
toeristenindustrie van het park - goed voor een half miljard dollar - is een van de
lastigste problemen van het park geworden. Er blijven weinig plaatsen over om te bouwen;
werkelijk al het vlakke, open land rond Banff is vitaal leefgebied voor wild.
Sinds 1970 heeft de parkdienst de stad een bijzonder
regelement opgelegd: de beruchte economische binding-clausule. Leslie Taylor, de
onvermoeibare en razend populaire burgemeester van de stad, legt uit dat de essentie van
dit decreet is dat om in Banff te wonen, je er een baan moet hebben, de echtgenoot
of afhankelijk moet zijn van iemand die hier een baan heeft, of gepensioeneerd moet zijn
na hier vijf jaar gewerkt te hebben.
Nog steeds wordt er grote druk uitgeoefend om
ontwikkeling in het park te vergroten. Ten noordwesten van de stad, op een verradelijk
deel van de Trans-Canada Highway, worden plannen voltooid om de breedte van de weg te
verdubbelen van twee naar vier banen. Dit moet de weg veiliger maken voor menselijke
reizigers, maar Paquet en andere milieu-activisten denken dat de nieuwe weg met gescheiden
rijbanen en zijn afrastering dierenbewegingen nog meer zullen verstoren.
Wat een hoop larie! roept een klerk die de
kassa voor een winkel in Banff bedient. Er zijn alleen de afgelopen tien maanden al
tien dodelijke ongelukken geweest! En sommigen zijn bezorgd over het doden van een paar
edelherten? De dieren zijn niets anders dan ongedierte, uit hun krachten gegroeide ratten met
geweien. Als die bomenknuffelaars erin slagen om de verdubbeling van de weg tegen te
houden, zal het bloed van onschuldige verkeersslachtoffers aan hun handen kleven.
Om de zaak nog gecompliceerder te maken, hebben biologen
onlangs ontdekt dat ontwikkeling buiten de parkgrenzen een zeer ongunstig effect heeft op
Banffs gezondheid. Aan de zuidrand van het park zijn zijden van complete bergen
afgestroopt en tot puin versneden door de mijnboew. En er zijn plannen goedgekeurd die
Canmore - ooit een slaperig stadje net buiten de zuidelijke ingang van het park - zullen
veranderen in een uitgestrekt netwerk van golfbanen, hotels en vakantiehuisjes.
Het probleem, zegt hoofdopziener Bob Haney,
is dat de parkgrenzen kunstmatig zijn. Plnaten en dieren erkennen geen lijnen op een
kaart. We zijn traag geweest om te begrijpen dat het oplichten van een postzegel uit het
midden van een enorm en complex ecosysteem gewoonweg niet werkt.
Betoverend blauw water
Stof dwarrelt in een straal zonlicht als ik tien meter
beneden Sulphur Mountain sta, in een kleine ondergrondse kamer, een grot in het kalksteen,
vol met geologische uitstekels. De lichtkegel valt laserscherp door een kleine opening in
de aarde. In de lucht hangt zwaar de stank van rotte eieren. Aan mijn voeten licht een
betoverend mooi blauw water, zo warm als badwater. Deze grot was het die leidde tot Banff
National Park.
In 1871 beloofde Minister President John A. Macdonald aan
de inwoners van British Columbia dat als ze deel uit gingen maken van het Canadese
kroongebied, er een spoorbaan zou worden aangelegd, dwars door Canada. Tegen oktober 1883
had de Canadian Pacific Railway met zijn spoor de Rockies bereikt, daar waar nu Banff ligt
maar toen een verlaten oord dat bekend was als Sliding 29. Een maand later stuitten drie
spoorwegwerkers die hun vrije-tijd vulden met mineralen-onderzoek op een groep van warme
bronnen. Ze pruttelden uit een wand boven de Bow Valley en de mooiste van de drie was de
blauwe poel waar ik nu bij stond.
In die tijd waren hete bronnen enorm populair. Men dacht
dat stomende mineraalbronnen genezing boden voor allerlei kwalen, van kanker tot
schotwonden en slangebeten. elf jaar eerder had de fascinatie van het publiek met bronnen
al geleid tot de opening van het eerste nationale park ter wereld, Yellowstone. Toen de
drie mannen de zwaveldampen diep inademden die uit de grot boven Sliding 29 kwamen,
roken ze al de geur van dollars, zoals de historicus Sid Marty schreef.
De werkers claimden de bronnen bij de autoriteiten, maar
het ontbrak hen aan zowel juridische kennis als gezond verstand. Ook de spamagnaten die
hen opvolgden waren te gulzig: het duurde niet lang of de partners maakten ruzie en
bedrogen elkaar, en de overheid werd erbij gehaald om het conflict bij te leggen. Maar de
vertegenwoordigers van de regering zagen direct een prachtige bron van inkomsten voor de
schatkist, die door de aanleg van de spoorweg vrijwel leeg was. De overheid loste het
eigendomsconflict eenvoudig op door alle claims te verwerpen en het land rondom de warme
bronnen opzij te zetten als een nations park - het eerste Canadese park
en pas het derde in de wereld. Banff Hot Springs Reserve was niet groter dan een dertig
vierkante kilometer.
Grootste hotel ter wereld
Om de bronnen uit te melken werd een programma van
verbeteringen opgezet. Hopend dat toerisme de spoorweg zou redden, opende de
CPR in 1888 een elegant hotel in de buurt van de bronnen, ontworpen naar voorbeeld van een
Frans château. Toentertijd was het het grootste hotel ter wereld, met 250 kamers. De $
250.000 die het kostte, was echter goed geïnvesteerd: het Banff Springs Hotel gaf de
aanzet tot een belangrijke trekpleister.
Het hotel, dat na een brand in 1928 werd herbouwd, staat
er nog steeds, met zijn herkenbare dakstijl van kilometers ver te zien. Midden voor het
hotel staat het standbeeld van een kale, dikke man die gezaghebbend naar de horizon wijst.
Het is een tribuut aan Sir William Cornelius Van Horne, general manager van de CPR, een
ongeëvenaarde promotor en meer dan wie dan ook verantwoordelijk voor de aard van Banff.
Niet alleen zag hij onmiddellijk het potentieel voor zijn spoorweg, hij was ook
verantwoordelijk voor de naam: een geste naar twee grote aandeelhouders die waren geboren
in Banffshire, Schotland.
In 1887 werd het park uitgebreid tot 750 vierkante
kilomter en in 1920 kwam daar het gebied rondom Lake Louise bij, zeventig kilometer ten
noordwesten van Banff, waar Van Horne een tweede hotel had gebouwd. De uitbreiding van het
park deed echter weinig voor de bescherming van de natuur. Houthakken en mijnbouw bleven
gewoon doorgaan en jagers hadden de edelherten, beren en ander wild in het park al
uitgeroeid.
Toch begon nu ook het idee van natuurbescherming enige
ingang te vinden, al bleef commerciële exploitatie de eerste prioriteit. Het waren vooral
Amerikaanse toeristen, beïnvloed als ze waren door de ideeen van John Muir (zie Amerika )
en Henry David Thoreau die deze verandering tot stand brachten. Vaak waren dit klimmers
die in Banff onbeklommen pieken troffen, zover als het oog kon zien.
Ander perspectief
Terwijl Lake Louise gonst van de toeristen met camcorders
en groepsexcursies, kom ik geen mens tegen op ruim dertienhonderd meter boven het meer.
Afgezien van het zachte gekraak van ijs dat in de richting van de vallei kruipt, is het
hier stil. Om drie uur s middags kom ik aan bij Abbot Pass, een rotsachtige inkeping
op drieduizend meter boven zeeniveau die de verbinding vormt van de Continental Divide, de
waterscheiding, tussen de pieken van Mount Victoria en Mount Lefroy. Hier ga ik
overnachten, in een stenen berghut die wordt onderhouden door de Alpine Club of Canada.
Morgenvroeg zal ik verder gaan om de Lefroy te beklimmen, als de bovenste hellingen stevig
bevroren zijn en de kans op lawines minimaal.
In de hut tref ik Andres Smith, uit Saskatoon, die hier
al drie dagen zit. Hier ben ik in staat om terug te treden en naar dingen te kijken
vanuit een ander perspectief, zegt deze bemiddelaar met zijn nogal zware baan.
Ik heb geen route, geen horloge. Ik kan doen wat ik wil. De belangrijkste beslissing
is of ik mijn plas doe aan de Atlantische kant of de Pacific kant van de divide.
Die ochtend kruip ik vor zonsopgang uit mijn slaapzak,
maak wat espresso, bindt mijn klimijzers onder en begin te klimmen. De noordwest-kant van
Mount Lefroy doemt meteen boven de hut op, blinkend in het eerste bleke licht van de dag.
De weg naar de top voert achthonderd meter omhoog over steil, diepblauw ijs.
Ik klim met een gestadig, hypnotisch ritme. De stalen
pinnen van mijn ijsgereedschap bijten in het ijs met dat zekerheid gevende thunk!
Mijn kuiten beginnen te branden van het balanceren op de tenen van mijn klimijzers en mijn
longen piepen in de dunnen lucht.
Negentig minuten later ben ik op de top van een berijpte
kam in de vorm van een enorme brekende golf. Voorzichtig turend over de bevroren richel,
kijk ik neer op de miniatuur boompjes van Paradise Valley, bijna tweeduizend meter lager.
De hemel strekt zich rond me uit. Ik ben op de top van de Mount Lefroy.
Ik blijf niet lang, het is koud en winderig daarboven. Op
weg terug realiseer ik me dat dit de plek is waar Philip Abbot in 1896 verongelukte bij
zijn poging om Mount Leroy te beklimmen. Zijn dood leidde, verrassend genoeg, niet tot
afnemende interesse in bergbeklimmen maar juist tot een enorme groei. Na de ademloze
verslagen van kranten over de uitdaging die de toppen van Banff hadden te bieden, kwamen
de klimmers in hordes naar de Rockies.
Van Horne zag onmiddellijk het potentieel en begon naar
de Rockies te verwijzen als de Canadese Alpen en sprak over de regio als een tweede
Zwitserland. Vervolgens dekte hij zich in door een heel corps van Zwitserse
berggidsen te laten overkomen om de groeiende groep amateur klimmers te beschermen tegen
zichzelf.
Iedereen in Banff lijkt een mening te hebben over de
Canadian Pacific Railway. En het is moeilijk om de invloed van de spoorweg te
onderschatten. Het grootste deel van de geschiedenis van Banff National Park is die van
een stuk onroerend goed van CPR. De spoorweg zorgde dat het park er kwam, had er twee
grote hotels, beheerde de oer-bedrijven, en tot kort geleden was ze achter de schermen een
doorslaggevende factor in het parkbeleid. Volgens historicus E.J. Hart was de CPR veel
meer dan enkel een onroerend goed ontwikkelaar. Het beeld dat de wereld heeft van de
Canadese Rockies als een wonderwereld van bergen is in belangrijke mate te danken aan de
marketing van de Canadian Pacific. Als er geen spoorweg was geweest, zegt Hart,
dan had Banff zoals we het nu kennen nooit bestaan.
Tunnel Mountain is een knoestige klomp van kalksteen,
oprijzend als een tribune direct boven downtown Banff. I klim het korte pad op naar de
top, hang achterover tegen de kale rots van de schouder van de top, en kijk nog éénmaal
naar het uitzicht. In de verte ligt verse sneeuw op de hoogste hellingen van de Sawback
Range. Kuddes stapelwolken galloperen door de lucht en vormen de vallei om in een
verschuivend beeld van licht en donker. Meer dan duizend meter lager zit Banff Avenue
verstopt met verkeer. Ik kan duidelijk het gerommel horen van de bussen en het geklop van
de hamers van de timmerlui in een nieuwe shopping mall. Aan de overkant van de Bow River,
voorbij het Banff Springs Hotel, zie ik dat de kleurige daken van een nieuwe suburb de
plaats hebben ingenomen van de bossen.
Banff National Park, vooral dit stukje, is al lang geen
maagdelijke wildernis meer. Voorbij de grenzen van de stad rijken echter de onbedorven
bossen en weides tot aan de horizon. Daar vindt u nog steeds wolven en behoorlijk wat
edelherten, en zelfs, als u ver genoeg zoekt, een paar grizzlies. Met bedachtzaam leiderschap
en wat geluk, maken deze resten van een historische wereld een goede kans om te overleven.

|